Verhalen, Mythen, Allegorieën

In oude verhalen, mythen en allegorieën vinden we veel wijsheden.  Ze spreken onze intuïtie aan en vertellen over het ontstaan van en wetmatigheden in de wereld of de evolutie van de mens.

De prins die na een lange en lastige zoektocht, of na het vervullen van moeilijke proeven, toch trouwt met de prinses, vertelt ons symbolisch hoe de persoonlijke mens zich uiteindelijk moet versmelten met zijn eigen innerlijke kern.

En dan leven ze lang en gelukkig…!


De olifant en het soefisme

In zijn gedichten gebruikt Rumi beelden en allegorieën om complexe thema’s begrijpelijk te maken voor een breed publiek. Zo ook het verhaal over de olifant. Het illustreert het onvermogen van de mens om met zijn zintuigen en rede de hogere mystieke kennis te vatten.

De olifant stond in een donker huis;
een paar Indiërs stelden hem ten toon.
Er waren veel mensen gekomen om hem te zien.
Iedereen kwam die duisternis binnen.
Daar het onmogelijk was om hem in het donker met de ogen te zien, raakte elk hem aan met de palm van zijn hand.
De palm van de een viel op zijn slurf. Deze zei:
‘Dit schepsel is als een regenpijp.’
De hand van een ander voelde aan zijn oor:
hem kwam die voor als een waaier.
Toen de palm van weer een ander zijn poot aanraakte,
zei hij: ‘Ik stel me de vorm van de olifant voor als een zuil.’
Een ander plaatste zijn hand op zijn rug en sprak:
‘Werkelijk, deze olifant is als een troon.’


Uit Rumi’s Masnavi;
zie ook Gele Reeks, Boek IV, nummer 4: Djalaloeddin Rumi

De blindgeborene

Er was een man die blind geboren was en hij zei: “Ik geloof niet in de wereld van licht en verschijning. Er zijn geen kleuren, vrolijk  of somber. Er is geen zon, maan of sterren. Geen mens heeft deze gezien.”

Zijn vrienden protesteerden tegen hem, maar hij hield aan zijn mening vast: “Wat jullie zeggen dat jullie zien”, wierp hij tegen, “zijn illusies. Als kleuren bestonden, zou ik in staat moeten zijn ze aan te raken. Ze hebben geen substantie en zijn niet werkelijk. Alles wat werkelijk is, heeft gewicht maar ik voel geen gewicht waar jullie kleuren zien.”

Een arts werd geroepen om de blinde man te bezoeken. Hij mengde vier geneeskrachtige kruiden en toen hij dit mengsel op de staar van de blinde man smeerde, smolt de grauwe film en konden zijn ogen weer zien.

De Tathagata is de arts, de staar is de illusie van de gedachte ‘ik ben” en de vier geneeskrachtige kruiden zijn de vier edele waarheden.


Uit: Woorden van de Boeddha

De oude wijze

Een man van 92 jaar, klein, zeer trots, goed gekleed en goed geschoren, elke ochtend om acht uur uit bed, zijn haren keurig gekamd, verhuist vandaag naar een bejaardenhuis. Zijn vrouw van 70 jaar is pas overleden en daarom moest hij verhuizen. Na vele uren te hebben gewacht in de wachtkamer, glimlacht hij vriendelijk wanneer men hem zegt dat zijn kamer klaar is.

Als hij zich met zijn rolstoel naar de lift beweegt, beschrijf ik hem de kleine kamer met het doek dat voor het raam hangt en dat dient als gordijn. “Ik vind het heel mooi”, zegt hij met het enthousiasme van een jongen van acht jaar, die net een jong hondje heeft gekregen.
Mijnheer Winst, u heeft nog niet eens de kamer gezien, wacht eerst eens even.”
“Dat heeft er niets mee te maken”, zegt hij. Geluk is iets dat je van tevoren kiest. Of ik mijn kamer mooi vind, hangt niet af van de meubels of van de decoratie. Dat hangt eerder af van hoe ik dingen waarneem.” “Ik heb al in mijn hoofd besloten dat ik mijn kamer mooi vind. Het is een beslissing die ik elke ochtend neem als ik wakker word.”

“Ik heb de keuze om de hele dag in bed te blijven liggen en alle moeilijkheden te gaan tellen van mijn lichaamsdelen waarmee ik problemen heb òf opstaan en de hemel bedanken voor de lichaamsdelen die wel werken. Elke dag is een cadeau en zolang ik mijn ogen kan openen, richt ik mij op de nieuwe dag en denk aan alle gelukkige herinneringen uit mijn leven.”
“Ouderdom is als een bankrekening, je haalt er wat vanaf als je het nodig hebt. Dus mijn raad aan jou is, veel geluk op je geluksbankrekening te storten. Bedankt nog voor je medewerking en je bijdrage op mijn bankrekening.”

Herinner je de volgende eenvoudige regels om gelukkig te zijn:

1. Bevrijd je hart van haat

2. Bevrijd je hoofd van zorgen

3. Leef eenvoudig

4. Geef veel

5. Verwacht niet veel

Sakura

Het Olifantensyndroom

Wel eens een volwassen olifant aan een ketting gezien? Vaak is dat niet eens zo’n dikke ketting. Daarbij kun je je afvragen waarom die olifant zich niet losrukt. Is de olifant niet sterk genoeg? Of voelt de olifant zich zo prettig bij zijn baas?

De verklaring is meestal dat deze olifant al als jong dier gevangen is genomen en aan de ketting is gezet. Toen heeft die jonge olifant vaak geprobeerd zich los te trekken, maar dat lukte niet. Dus heeft de olifant afgeleerd om het zelfs maar te proberen. En nu hij volwassen en sterk genoeg is om zich los te rukken, blijft hij braaf aan de ketting zitten.

De analogie met persoonlijke veranderprocessen ontgaat je vast niet. Als het een paar keer is mislukt om iets te veranderen, ben je afgeleerd het zelf nog opnieuw te proberen. Ook al ben je inmiddels sterk genoeg om voor elkaar te krijgen wat je zou willen.

Maar je bent geen olifant. Je hebt dat stemmetje in je achterhoofd en je weet dat je jezelf voor de gek houdt. Je kent je eigen kracht wel!

Dus waarom toch niet nog eens proberen of het je lukt een voornemen uit te voeren of een verlangen te realiseren…

To be or not to be (an elephant), is je eigen keuze!

De jonge boogschutter

Een jonge boogschutter won de ene wedstrijd na de andere, waardoor zijn zelfvertrouwen op arrogantie begon te lijken. Hij gaf hoog op over zijn vaardigheid als boogschutter en daagde een zenmeester uit die alom bekend stond om zijn vaardigheid als boogschutter. De jonge man liet een staaltje van zijn kunnen zien door van grote afstand midden in de roos te schieten en vervolgens die eerste pijl met een tweede door midden te splijten. Alstublieft,, zie hij tegen de oude zenmeester, probeer dat maar eens na te doen!

De meester nam zijn boog niet ter hand, maar zonder iets te zeggen maande hij de jonge man om hem te volgen. Ze klommen een berg op en tijdens de lange klim werd de jonge boogschutter steeds nieuwsgieriger naar wat de oude man in zijn schild voerde. Ten slotte kwamen ze bij een diepe kloof met als enige overspanning tamelijk dunne, rottende boomstam. De oude meester liep rustig naar het midden van de wankele onbetrouwbare brug en koos een boom in de verte als doelwit. Hij spande zijn boog en schoot precies raak. Hij stapte ontspannen van de boomstam af en zei: Nu is het jouw beurt. De jonge man staarde met kloppend hart in de bodemloze diepte en was niet in staat een voet op de boomstam te zetten, laat staan een pijl af te schieten.
Na een tijdje zei de zenmeester: Je bent heel vaardig met pijl en boog, maar je bent niet zo vaardig met de geest die de pijl afschiet.


Victor M. Parachin uit het boek Oosterse wijsheid voor de westerse mens 

Een 19e-eeuwse legende

De Waarheid en de Leugen ontmoetten elkaar op een dag en de Leugen zei tegen de Waarheid: “Het is een prachtige dag vandaag!”

De Waarheid kijkt naar de hemel en zucht, want het was niet gelogen; ’t was écht een prachtige dag. Ze lopen samen geruime tijd door en komen uiteindelijk aan bij een waterput. Dan zegt de Leugen tegen de Waarheid:

“Het water is erg lekker, laten we samen een bad nemen!”

De Waarheid, opnieuw achterdochtig, test het water en ontdekt dat het inderdaad erg lekker is. Ze kleden zich uit en beginnen te baden. Plotseling springt de Leugen uit het water, trekt de kleren van de Waarheid aan en rent weg. De Waarheid is woedend, komt uit de put en rent overal rond om de Leugen te vinden, om haar kleren terug te krijgen. De Wereld, die de Waarheid naakt ziet, wendt haar blik af, met minachting en woede om zoveel naaktheid. Dan keert de arme Waarheid keert terug naar de put en verdwijnt voor altijd, zich verstoppend in haar schaamte.

Sindsdien reist de Leugen rond in de wereld, verkleed als de Waarheid, om de maatschappij te bevredigen, in haar verlangen de Illusie te leven. Want de Wereld heeft hoe dan ook geen enkele wens om de naakte Waarheid te ontmoeten…

Help Elkaar

Er was eens een liefdevolle vrouw, die voor iedereen goed was geweest; ze had aan het einde van haar leven nog één wens. “Voordat ik dood ga, wil ik graag zien hoe de hel en hoe de hemel er uit zien.” Haar wens werd vervuld…

Ze werd door een engel meegenomen naar een mooie feestzaal. Er stonden lange tafels vol met heerlijk eten en drinken. Aan de tafels zaten mensen ellendig, chagrijnig en hongerig voor zich uit te staren.

‘Waarom gedragen ze zich zo?’ vroeg de vrouw aan de engel.
‘Kijk naar hun armen,’ antwoordde de engel.

Ze keek en zag dat bij eenieder aan de armen lange stokken om te eten waren bevestigd. Tot boven de elleboog. Hierdoor konden de mensen hun armen niet buigen. Ze konden niets eten of drinken. Elke poging mislukte en de mensen raakten gefrustreerd en ongelukkig.

‘Inderdaad, dit is de hel. Neem me weg van hier.’

De vrouw werd vervolgens naar de hemel gebracht. Opnieuw was er een mooie feestzaal. Er stonden lange tafels met heerlijk eten en drinken. Aan de tafels zaten vrolijke mensen. Ze lachten en zagen er gelukkig uit.

‘Geen stokken aan de armen, veronderstel ik,’ zei de vrouw.

‘Oh, jawel hoor’ zei de engel.
‘Kijk net als in de hel zijn de stokken tot boven de ellebogen bevestigd en kunnen ze hun armen niet buigen…
Maar kijk, hier hebben de mensen geleerd om elkaar te voeden…’

De echo

Een wijze vader loopt op een dag samen met zijn zoon in het bos. Plotseling struikelt de jongen en omdat hij pijn voelt roept hij: ‘Ahhhh’. Verrast hoort hij een stem vanuit de bergen die ‘Ahhhh’ roept. Vol nieuwsgierigheid roept hij: ‘Wie ben jij?’ en hij krijgt als antwoord: ‘Wie ben jij?’. Hij wordt kwaad en roept: ‘Je bent een lafaard’ waarop de stem antwoordt: ‘Je bent een lafaard’

Vragend kijkt de jongen zijn vader aan.
De man zegt: ‘Zoon, let op’ en roept: ‘Ik bewonder jou’. De stem antwoordt: ‘Ik bewonder jou.’ Vader: ‘Jij bent prachtig’ en de stem: ‘Jij bent prachtig’
De jongen is verbaasd, maar begrijpen doet hij het niet.

Daarop legt de vader uit: ‘De mensen noemen dit echo, maar in feite is dit hoe het leven zich gedraagt…
Het leven geeft je altijd terug wat jij er zelf in brengt. Het leven is een spiegel van jouw handelingen.
Als je meer liefde wilt, geef dan meer liefde! Wil je meer vriendelijkheid, geef dan meer vriendelijkheid!’

De hond en de spiegels

Een hond had van de tempel met de duizend spiegels gehoord. Hij wist niet wat spiegels zijn, maar zijn verlangen om de tempel te bezoeken was groot. Na een tocht van enkele weken kwam hij bij de tempel. Hij liep de trappen op, en toen hij door de poort was gegaan, keken uit duizend spiegels duizend honden naar hem. Dat verheugde hem en hij kwispelde met zijn staart. Toen verheugden zich ook in de spiegels duizend honden en kwispelden met hun staart. Hij verliet de tempel met het bewustzijn: de wereld is vol met vriendelijke honden. Van nu af aan ging hij dagelijks naar de tempel met de duizend spiegels.

Op een middag kwam een andere hond in de tempel met de duizend spiegels. Toen hij door de poort was gegaan, keken uit duizend spiegels duizend honden naar hem. Hij werd bang, liet zijn tanden zien en gromde. Toen gromden uit de spiegels duizend honden met ontblote tanden terug. De hond trok zijn staart in en liep weg met het bewustzijn: De wereld is vol met boze honden. Nooit meer kwam hij terug naar de tempel met de duizend spiegels.

De grot van Plato

Mevrouw Blavatsky noemt Plato een ingewijde, een profeet in de lijn van Orpheus en Pythagoras, boodschappers van de Theosofische Beweging.

Transsubjectieve, absolute waarheid wordt uitgedrukt in universele stellingen met behulp van abstracte begrippen. Maar iedere rationele formulering betekent een verarming van de concrete rijkdom van de werkelijkheid. Om dit nadeel te compenseren gebruikt Plato de dialoog en de mythen. De mythe is de voorstelling van een buitentijdelijke waarheid onder de gedaante van een symbolisch verhaal. Zo verkrijgt men concrete begrippen en levende waarheden.

Een voorbeeld is de mythe van de holbewoners in het zevende boek van de Staat. 

Stel u voor: mensen in een onderaards, grotachtig verblijf dat een lange naar het licht gekeerde toegang heeft. Zij zijn van kindsbeen af geboeid, zij moeten op dezelfde plaats blijven en kunnen het hoofd niet omwenden. Licht hebben ze alleen van een vuur dat van boven, ver achter hen brandt. Zij zien enkel maar halve schaduwen van voorwerpen die achter hen gedragen worden langs een muurtje. Soms horen ze de stemmen van de dragers. Zelfs indien de holbewoners bevrijd zouden worden en gedwongen naar het licht zelf te kijken, zouden ze dan hun pijnlijke ogen kunnen verdragen en niet liever terugkeren naar hun schaduwwereld die ze als de ware werkelijkheid kennen?

 

In deze beroemde gelijkenis van de grot ontwerpt Plato het beeld van het menselijk leven en de menselijke kennis. De gevangenis is het evenbeeld van ons gewone denken. Onze omgeving, die zich aan onze zintuigen vertoont, heeft de waarde van een schaduw. Aan het opstijgen uit de grot en de blik richten op concrete voorwerpen beantwoordt de verheffing van de ziel tot de wereld van de Ideeën. Onze zintuigen staan in relatie met de dingen en ketenen ons aan het onvolmaakte, vergankelijke en veranderlijke en zo weerhouden ze ons ervan ons te wenden tot de Ideeën, het absoluut onveranderlijke en eeuwige.

De reiniging van de ziel is de bevrijding van deze vertroebeling van het zicht op de Ideeën. De ideeënleer van Plato was geen overspannen speculatie maar het antwoord op een concrete vraag: Hoe moet de mens een zinvol leven leiden, opdat hij blijvend gelukkig wordt?

En zoals de oude gnosis wil ook de moderne theosofie ons de weg wijzen naar het besef van onze ware geestelijke aard, onze oorsprong en ons levensdoel: de terugkeer naar het vaderhuis.

Reinheid in gedachten

Een Zen-vertelling

 

Tanzan en Ekido, die beiden meesterschap in Zen bereikten, liepen eens door een modderige straat. Daarbij regende het ook nog erg.

Toen ze bij een bocht in de straat kwamen, troffen ze daar een aardig uitziend meisje in een zijden kimono, die de straat wilde oversteken, maar het wegens de modder en de regenplassen niet kon.

“Kom maar hier, meisje”, zei Tanzan direct. Hij nam haar in zijn armen en droeg haar over de modderplassen van de straat.

Ekido wisselde geen woord met zijn vriend tot zij in de nacht bij een tempel aankwamen, waar zij konden rusten. Toen kon hij zich niet langer inhouden.

“Wij monniken mogen niet in de buurt van vrouwen komen”, beleerde hij Tanzan, “en zeker niet van jonge en knappe vrouwen. Het is gevaarlijk. Waarom deed je dat?”

“Ik liet het meisje daar staan”, antwoordde Tanzan, “Draag jij haar nog steeds?”


Uit: Esoterische vertellingen

Een soefiverhaal over loslaten

Er was eens een prachtige stroom die langs een berg naar beneden vloeide. Hij nam ontzagwekkende kronkels en bochten, hij gutste door bossen en vreemde landen... elke hoek verkennend, elk moment iets nieuws ontdekkend. Hij voelde levendig, hij  voelde energiek. Hij stroomde. Hij leefde in overeenstemming met het doel van zijn leven.

Maar na enige tijd bereikte hij een woestijn. En hij kon niet verder. Als hij zich in het land begaf, werd  hij omhuld door zand en verdween de stroom. "Oh nee!" dacht de stroom, "wat moet ik nu doen?" Hij probeerde van alles, maar hoe meer kracht hij uitoefende, hoe meer hij wegzakte in het zand.

Toen hoorde hij een stem, gedragen door de wind. "Laat los," zei de stem, "spartel niet tegen. Probeer je niet vast te houden. Vertrouw en laat los." "Maar zal de wind me niet meevoeren?" vroeg de stroom. "Ja, dat zal hij," was het antwoord.

Nu werd de stroom nog ongeruster en zei: "Maar... maar wat als ik hierdoor verander? Ik wil niet veranderen." "Nou, mijn lieve stroom, je zult hoe dan ook veranderen. Je zou op dezelfde plaats kunnen blijven, niets doen... maar dan verander je toch in moeras of drijfzand. Dus de keuze is aan jou: daar blijven en stilstaan, of loslaten".

De stroom dacht hier lang over na. Maar wist dat als hij niet losliet, hij spijt zou krijgen. Hij wilde weten wat er nog meer was, hij wilde niet voor altijd in dezelfde moeilijke positie blijven steken. Hij besloot te geloven en zich niet langer te verzetten.

En zodra hij losliet, boog de wind zich naar beneden en omarmde de stroom. Hij greep de stroom. Dan, druppel voor druppel, tilde de wind de stroom zachtjes op en zweefde door de lucht. En dan, net zo zachtjes, zette de wind hem neer aan de andere kant. Op een prachtige berg, die leidde naar weelderige groene vlakten.

De beek was extatisch. Hij voelde zich weer energiek. Opnieuw trok hij zijn weg door prachtige landschappen, voor altijd dankbaar dat hij had losgelaten en zijn vertrouwen hem op het juiste pad had gebracht.

Problemen en hindernissen zijn geen volstrekte onoverkomelijkheden. Ze maken deel uit van het menselijk leven, ontworpen om ons te helpen groeien als mens. Problemen en hindernissen zijn geen volledige haltes. Als we ons verzet laten varen, zal het leven ons op het juiste pad brengen, misschien een heel ander pad dan we ons hadden voorgesteld, maar niettemin het pad dat perfect voor ons is.

Het enige wat we moeten doen is dit proces volledig, echt vertrouwen. Loslaten! En het leven zal voortvloeien, zoals de stroom.

De Drie zeven

Een beroemde Griekse filosoof, zat in Athene op een bankje van de zon te genieten. Plotseling stapte er een man op hem af. “Socrates, ik moet je iets vertellen over je vriend die…”

Voordat de man zijn zin kon afmaken, onderbrak Socrates hem en vroeg: “Het verhaal dat je mij wilt vertellen, heb je dat gezeefd door de drie zeven?”

“De drie zeven? Welke drie zeven?”, vraagt de man verbaasd.

“De zeef van de waarheid is de eerste zeef. Heb je onderzocht of datgene wat je me wilt vertellen waar is?”

“Nee, ik hoorde het verhaal ergens…”, zei de man.

“Okay. Is het verhaal dan wel door de tweede zeef gegaan, de zeef van het positieve? Is het iets positiefs wat je over mijn vriend wilt vertellen?”, vroeg Socrates nu.

Aarzelend antwoordt de man: “Euh nee, dat niet. Integendeel zelfs…”

Socrates fronste zijn wenkbrauwen en zei: “Laten we dan de derde zeef gebruiken, de zeef van de noodzakelijkheid. Is hetgeen wat je mij wilt vertellen zo noodzakelijk dat ik het beslist moet horen?”

“Nee, niet echt”, antwoordde de man.

Socrates glimlachte naar de man en zei: “Als het verhaal dat je wilt vertellen niet waar is, niet positief is en ook niet noodzakelijk is voor mij, belast mij er dan ook niet mee.”

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: 'Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!' -

Vanmiddag - lang reeds was hij heengespoed -
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

'Waarom,' zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'

Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.'


De tuinman en de dood is een kort gedicht van Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954). Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1926.[1]

De ware leerlingen

Het verhaal stamt uit de Sikh-traditie. Het sikhisme werd geïnspireerd op het onderwijs van tien goeroes, die belangrijke religieuze onderwijzers en predikers zijn.

Het is een religie met als basisgedachten één God, gelijkheid, rechtvaardigheid en vrijheid voor iedereen. Deze religie doet een beroep op zijn volgelingen om een leven van discipline, hard werken, liefdadigheid en meditatie te leiden. Zij accepteert het bestaan van alle geloven en tolereert geen bevooroordeling of onderdrukking op basis van godsdienst, kaste, kleur, geloofsbelijdenis, ras en/of sekse.

Sikhs aanbidden een god die bestaat voorbij alle verschijningen en die universeel toegankelijk is voor allen, ongeacht of men hindoe, moslim of van een ander geloof is.

In het verhaal wordt naar de Goeroe’s verwezen.

Het verhaal gaat als volgt:

 

Eens vroegen de Pathi’s of voorlezers van de vijfde Goeroe van de Sikhs, Goeroe Arjan, of hij aan ieder van zijn leerlingen een gift van één roepia zou willen vragen en hun het geld zou willen geven met als reden: “Wij verkeren in grote nood en een gift van één roepia per leerling zou ons al veel helpen”.  De goeroe ging hierop in en beloofde hun de gift, waar de Pathi’s zich zeer over verheugen. Daar de schare van leerlingen van de meester zich bevonden in een gebied dat zich van Kabul tot Kandahar uitstrekte en nog veel verder en daarbij zeer talrijk was, hoopten zij binnen zeer korte tijd heel rijk te worden.

Een hele maand verstreek en de Pathi’s ontvingen niet één gift. Zij wendden zich nogmaals met hun verzoek tot de goeroe en herinnerden hem eraan, dat zij juist nu het geld dringend nodig hadden. De goeroe verzekerde hun, dat hij hun verzoek zou inwilligen. Twee maanden gingen voorbij zonder dat er een gift was ontvangen en er was ook geen aanwijzing dat de goeroe zijn leerlingen om deze gift had gevraagd. De Pathi’s wendden zich opnieuw tot de goeroe en zeiden: “Heer, u hebt ons uit medelijden deze gift beloofd. Wij verkeren werkelijk in grote nood en zouden zeer dankbaar zijn als het geld zonder verdere vertraging uitbetaald zou kunnen worden.” De goeroe zei dat dit morgen zou gebeuren.

Het viel de Pathi’s op, dat al het geld dat de goeroe geschonken werd, nooit werd bewaard en opgespaard, maar direct in het belang van de leerlingen werd uitgegeven. Hoe zou de goeroe hun onder deze omstandigheden het geld al de volgende dag kunnen geven? Zou hij van plan zijn om voor hen een lening op te nemen?

De volgend morgen gaf de goeroe hun vier en een halve roepia. Geheel in de war gebracht, vroegen de Pathi’s hem: “Hoe moeten we dit opvatten? U hebt zoveel leerlingen en toch geeft u ons een bedrag van maar vier en halve roepia in plaats van één roepia per leerling”. De meester glimlachte en zei: “In waarheid zijn er maar vier en een halve leerling. De eerste leerling is Goeroe Nanak, de tweede is Goeroe Angad, de derde is Goeroe Amar Das en de vierde is Goeroe Ram Das. En zelf ben ik maar een halve leerling. Daarom geef ik jullie precies waarom jullie mij gevraagd hebben: één roepia per leerling.” En hij ging verder: “Broeders, het is niet eenvoudig een ware leerling te worden Daarvoor moeten jullie je verlangen naar de dingen van deze wereld, zoals de door jullie zozeer geliefde roepias, opgeven. En nog meer want jullie mogen alleen je hart aan de Heer schenken. Want Zijn liefde is meer waard dan alle goederen van deze wereld.


Uit: Esotherische vertellingen door Soami Divyanand