OVER REÏNCARNATIE

Waarom is de mens zoals hij is en hoe is hij ontstaan? Waar het universum voor dient. Spirituele en fysieke evolutie vereisen reïncarnatie. Reïncarnatie op het fysieke vlak is herbelichaming of verandering van vorm. De hele massa materie van de aardbol zal op een dag, in een nog verafgelegen periode,  tot mensen zijn geworden. De leer is oeroud. Door de vroege Christenen onderschreven. Onderwezen door Jezus. Wat reïncarneert. De mysteries van het leven komen voort uit de onvolledige incarnatie van de hogere principes. Het is geen transmigratie naar lagere vormen. Verklaring van Manu hierover.

INLEIDENDE OPMERKINGEN.

 Dit hoofdstuk en de twee volgende gaan over reïncarnatie. Hoewel het woord ‘reïncarnatie’ tegenwoordig zeer algemeen wordt gebruikt, omdat het vanuit de theosofische leringen in het publieke bewustzijn is doorgedrongen, bestaat er nog steeds een betreurenswaardige onwetendheid over de reikwijdte en betekenis ervan. Een zeer algemeen idee is dat de ‘persoonlijkheid’ reïncarneert, maar er is nauwelijks een meer onfilosofische, onlogische en duidelijk onjuiste opvatting mogelijk. Sommige spiritualisten, dogmatische christenen en zelfs denkers met een materialistische inslag hebben het woord overgenomen en er hun eigen eigenaardige invulling aan gegeven, zodat wanneer een van hen zegt ‘ik geloof in reïncarnatie’, er waarschijnlijk weinig of geen kennis over ‘wat reïncarneert’ te vinden is.

De wereld heeft daarom studenten nodig die op de juiste manier studeren en hun kennis toepassen, zodat op den duur door hun aantal en kennis, het ware begrip kan doordringen tot degenen die minder geleerd zijn. We zijn studenten, dat is waar, maar vanaf het allereerste begin kunnen en moeten we leraren zijn voor degenen die nog minder weten dan wij; we kunnen vertellen wat we weten, maar we moeten er goed op letten dat we dusdanig zijn geïnformeerd dat we geen verkeerde indrukken wekken. De hoofdstukken VIII, IX en X zijn gewijd aan reïncarnatie en hoofdstuk XI aan karma; deze twee leerstellingen zijn wat de wereld het meest nodig heeft en wij als studenten zouden ons moeten toeleggen op een volledig begrip ervan  zowel ten behoeve van anderen als voor ons eigen begrip en vooruitgang.

V. Als de wet van reïncarnatie rechtvaardig is, waarom wordt het joodse volk dan zo vervolgd?

A. Bij welke ervaringskwestie dan ook moeten we allereerst rekening houden met de wet van karma - actie en reactie, of zaaien en oogsten; met het oog daarop kan het niets anders zijn dan exacte rechtvaardigheid. Reïncarnatie is het resultaat van karmische actie en biedt ook de mogelijkheid om betere oorzaken in gang te zetten. Als egoïsme in een leven de overhand heeft, worden kwade oorzaken in gang gezet waarvan de resultaten ofwel in datzelfde ofwel in een volgend leven moeten worden aangepast. De neiging van egoïsme kan met elke incarnatie toenemen en als een volk of individuen op die weg doorgaan, zullen ze voortdurend anderen schade berokkenen en hun eigen reacties uitlokken bij degenen die zij schade hebben berokkend. Als we dus mensen zien die in het bijzonder worden gekenmerkt door vervolging, kunnen we er zeker van zijn dat zij als ego's in andere tijden de boosdoeners zijn geweest en oogsten wat ze hebben gezaaid.

V. Wat was het dat de evolutie startte?

A. De loop van het Zijn is een altijd-worden. Altijd-worden is eindeloos, daarom zonder begin. Dit zonnestelsel en zijn planeten hadden natuurlijk een begin en zullen een einde hebben, maar elke manifestatie is slechts een verder worden van dat wat is geweest. Perioden van manifestatie en niet-manifestatie volgen elkaar op in de Oneindige Ruimte, waarop noch begin noch einde kan worden toegepast (zie de tweede grondstelling van de Geheime Leer). De oude manier om elk begin te beschrijven is, ‘het verlangen ontstond eerst in Het’: HET verwijst naar Geest, die de oorzaak en instandhouder is van alles wat was, is of zal zijn. Er is een begin aan de eerste sprankjes van extern bewustzijn, dat steeds de neiging heeft om zijn bereik van waarneming en manifestatie te verbreden totdat het alles omvat en één wordt met het Al; potentiële Geest die het vermogen tot intelligentie is geworden.

Het beëindigen van het proces resulteert in een nieuw begin gebaseerd op de totaliteit van de bereikte intelligentie. Wat in de tijd begint, eindigt in de tijd. Tijd is een aanwijzing voor waarnemingen van bewustzijn; zoals de Geheime Leer zegt: “Tijd is een illusie geproduceerd door de opeenvolging van gebeurtenissen in ons bewustzijn”; begin en einde hebben betrekking op die ‘illusie’ en niet op de begin- en eindeloze Geest die de waarnemer is. Zoals de Gita zegt, “De Geest in het lichaam wordt Maheswara genoemd, de grote Heer, de toeschouwer, de vermaner, de onderhouder, de genieter, en ook Paramatma, de hoogste ziel”; die zelf zonder begin of einde is, zij maakt het begin en einde in manifestaties, die als manifestaties op hun beurt zonder begin en zonder einde zijn.

V. Wat betekent het op pagina 80 waar staat, "En omdat alle stof die het menselijk Ego tot zich trekt het stempel of fotografische indruk van de mens behoudt, verhuist de stof naar het lagere niveau wanneer het Ego haar een dierlijke indruk geeft”?
A. Mr. Judge heeft uitgelegd hoe het verkeerde idee van de transmigratie van zielen naar het dierenrijk is ontstaan. De substantie die onze astrale en fysieke lichamen samenstellen, is de belichaming van ontelbare kleine ‘leventjes’; terwijl we deze ‘leventjes’ gebruiken als contactpunten met de astrale en fysieke wereld, drukken we tegelijkertijd onze gevoelens op hen af, of deze nu laag of hoog zijn, en wanneer de ‘leventjes’ uit onze lichamen vertrekken om door andere te worden vervangen, zoals voortdurend gebeurt, zal de indruk die we hen hebben gegeven hen dragen naar het natuurrijk waaraan deze indruk is gerelateerd. Al naar gelang de indruk die we deze ‘leventjes’ geven, bevorderen of vertragen we de evolutie.

V. Als er een disharmonische toestand van de leventjes in het lichaam is, vallen ze dan evenredig elk leven in dat lichaam aan, of alleen bepaalde organen?
A. Elke disharmonie in het lichaam verstoort het geheel. Er is niet alleen een belemmering, maar een aantasting van de lichaamsprocessen op een progressieve manier als de oorzaak van de zieke toestand niet wordt gevonden en er geen voorzorgs- en herstelmaatregelen worden genomen.

V. In post-mortem onderzoeken is ontdekt dat elk weefsel in het lichaam is aangetast.

V. In post-mortem onderzoeken is ontdekt dat elk weefsel in het lichaam is aangetast.

A. Dat is een logisch gevolg vanwege de bloedsomloop. Het bloed is representatief voor en draagt een essentie van alle organen met zich mee; elk ongezond orgaan verspreidt verontreiniging door het hele lichaam.
V. De leventjes van de lagere natuurrijken gaan terug naar hun eigen natuurrijken bij de ontbinding van het lichaam. Zou dat geen achteruitgang zijn? Wat is het karma van die leventjes?
A. Het zou een vergissing zijn om te veronderstellen dat de leventjes die ons lichaam samenstellen alleen bij de ontbinding van het lichaam teruggaan naar hun respectievelijke natuurrijken; er is een voortdurend komen en gaan tijdens ons leven, door het voedsel en op andere manieren. De ‘leventjes’ zijn niet hetzelfde wanneer ze gaan als wanneer ze komen; ze kunnen op het menselijke gebied blijven of naar lagere natuurrijken gaan, afhankelijk van de indruk die de mens hen geeft.

Het is de indruk die hen wordt gegeven die hun bestemming bepaalt; het karma is dat van de mens die de indruk en impuls gaf; de achteruitgang - als het zo mag worden genoemd - is te wijten aan de mens. De ’leventjes’ die geen besef van verantwoordelijkheid noch eigen wil hebben, zijn niet karmisch verantwoordelijk; hun aard is actie, maar actie onder impulsen; hun graad van bewustzijn wordt niet veranderd, maar hun manier van handelen kan dat wel zijn. Achteruitgang is van toepassing op bewustzijn, niet op vorm; bijvoorbeeld, een wezen in menselijke vorm kan opstijgen naar goddelijke hoogten of zakken tot onder het dierlijk niveau in bewustzijn.

V. Gebruikt de mens steeds opnieuw hetzelfde materiaal of leventjes?

A. Hij gebruikt dezelfde soort leventjes, die van dezelfde aard zijn als zijn neigingen. ‘Leventjes’ die hij heeft gebruikt en waarop hij indrukken heeft gemaakt, kunnen zich in andere vormen van het mensenrijk bevinden of in lagere natuurrijken, al naar gelang het geval. Er is een voortdurende uitwisseling gaande, waarbij soortgelijke elkaar aantrekken.

V. Kan de mens dan werkelijk de aard veranderen van de leventjes die zijn lichaam samenstellen?
A. Als hij dat niet kon, zou hij zijn overgeleverd aan de genade van zijn lichaam - onderworpen aan de toestand ervan. We weten dat goede gewoonten kunnen worden verworven door gedachte en inspanning in die richting; evenzo met slechte gewoonten; deze veranderingen zijn het gevolg van de indruk die de leventjes in ons lichaam krijgen door gedachte, gevoel en inspanning. Maar het lichaam is het minste van onze problemen. Als onze gedachten zouden zijn gebaseerd op de Eeuwige Waarheden, zouden onze inspanningen gericht zijn op waar begrip en het juiste doel; de lichamelijke condities zouden te zijner tijd volgen. Als onze gedachten zich met het lichaam bezighouden, zijn de mogelijkheden zeer beperkt, vanwege de beperking van het denken wat betreft het lichamelijke gebied.

V. Het hoofdstuk spreekt over de ‘persoonlijkheid’; zullen we weer dezelfde persoonlijkheid hebben?

A. Het woord ‘persoonlijkheid’ komt van het Latijnse woord ‘Persona’ - een masker, waarmee we onze innerlijke gevoelens verbergen of uitdrukken. Het zijn de innerlijke ideeën en gevoelens, het algemene karakter, dat wordt bedoeld met het woord ‘persoonlijkheid’: dit laatste is in een constante staat van verandering, of die nu groot of klein is. De ‘manier waarop we vroeger dachten en voelden’ is niet ‘zoals we ons nu voelen of denken’.
De persoonlijkheid in het volgende leven zal bestaan uit neigingen die in vorige levens zijn ontstaan, aangevuld met die van het huidige leven, onderhevig aan de omstandigheden waarin die neigingen ons hebben gebracht; die omstandigheden kunnen verandering in geslacht, toestand en omgeving inhouden. Het gevoel van ‘identiteit’ dat iedereen heeft is niet te wijten aan het lichaam of zijn omgeving, maar aan de Egoïsche natuur van ieder individu.

V. Waarom veroordelen ze reïncarnatie in de christelijke kerken?

A. Omdat zij het voorbeeld van de kerkvaders hebben gevolgd die in de eerste eeuwen van het christelijk tijdperk de leer hebben verbannen. Er zijn bewijzen in het Oude en Nieuwe Testament dat reïncarnatie een algemeen aanvaarde leer was; de joden verwachtten voortdurend ‘de terugkeer’ van hun profeten, dat wil zeggen, de herbelichaming of reïncarnatie van iemand die eerder een lichaam had bewoond. In het Nieuwe Testament zijn er een aantal toespelingen op, zoals toen de discipelen vroegen waar de profeet Elias was van wie werd verwacht dat hij vóór Jezus zou komen, en Jezus antwoordde dat Elias bij hen was geweest, maar dat zij hem niet kenden, en de discipelen wisten ‘dat hij sprak over Johannes de Doper’.

V. Wat bedoelde Christus toen hij zei dat hij geen vrede maar een zwaard bracht?

A. In het Nieuwe Testament staat dat hij deze woorden sprak. We moeten de hele tijd onthouden dat degene die bekend staat als Jezus geen geschriften heeft nagelaten, en dat alles wat we van hem weten is vervat in geschriften van mensen van wie wordt aangenomen dat ze de woorden hebben gehoord en correct hebben opgeschreven. We zijn daarom niet in staat om te weten of alles wat over Jezus is geschreven correct is vastgelegd; we kunnen dergelijke uitspraken alleen interpreteren op basis van het algemene karakter van de lessen van Jezus. Het is duidelijk uit de gevonden verslagen dat iemand in de mensenwereld de leerstellingen had uitgesproken die over het algemeen aan Jezus worden toegeschreven; er is echter geen historisch bewijs voor het bestaan van zo iemand in de tijd die door de christelijke wereld is overeengekomen.

Geen van deze dingen pleit tegen de waarheid en de verdienste van dergelijke uitspraken waarvan wordt beweerd dat hij ze heeft gedaan; de waarheid en de verdienste moeten in de uitspraken zelf liggen en niet in de identiteit van degene die ze heeft uitgesproken. We moeten bijvoorbeeld de uitspraak dat Jezus kwam om ‘vrede op aarde en goede wil jegens de mensen’ te brengen, vergelijken met de uitspraak dat hij niet kwam om vrede te brengen, maar een zwaard en proberen ze met elkaar te verzoenen. Als, zoals uit de lessen die aan hem worden toegeschreven blijkt, hij naastenliefde, vergeving en een allesomvattend altruïsme onderwees, samen met een erkenning van de goddelijkheid in allen, wat zou hij dan kunnen hebben bedoeld met het ‘zwaard’, een vernietigingswerktuig?

De verslagen over zijn woorden en daden wijzen op een strijd tegen de valse religies van die tijd; het omverwerpen van de tafels van de geldwisselaars in de tempel; de schending van de heersende ideeën over de sabbatdag en andere daden wijzen op een oorlog tegen valse denkbeelden. Verder moet hij - als een goddelijke incarnatie – hebben geweten wat er zou volgen uit een verkeerd begrip en misbruik van zijn leringen, want hij sprak over die generatie als verderfelijk en slecht en dat, terwijl zijn zending was bedoeld om vrede te brengen, het verkeerd begrip en misbruik ervan het tegenovergestelde, het zwaard, zou brengen. Is het in verband hiermee niet een feit dat overal waar het christendom is geweest, het vergezeld werd door een zwaard?

En zien we het op dit moment niet met eigen ogen dat de wereldoorlog werd veroorzaakt door en uitgevochten tussen zogenaamde christelijke naties? We moeten dus concluderen dat het gezegde waar was en dat, hoewel zijn missie er een van vrede en goede wil was, de mensheid met zijn lessen heeft gedaan en nog steeds doet wat ze met zijn lichaam en zijn kleding hebben gedaan: ze “verdeelden zijn klederen onder elkaar en wierpen het lot over zijn gewaad.” Zijn ‘klederen’ is een symbool voor zijn leringen en zijn gewaad voor ‘zijn naam’.

V. De Gita zegt dat er geen bestaan is voor wat niet bestaat, noch is er niet-bestaan voor wat bestaat. Alles moet toch altijd hebben bestaan?

A. Wat er ook is, is geworden wat het is; wat er ook zal zijn, zal ook een ‘worden’ zijn. Evolutie is het proces van worden, een ontvouwen van binnen naar buiten; nadat het zich heeft ‘ontvouwd’ is daarvoor geen niet-bestaan meer, maar een uitbreiding van ontvouwen. De grote oceaan van Leven bevat oneindige mogelijkheden van bestaan, maar is zelf niet ex-istent, want het woord betekent tevoorschijn komen, verschijnen, voor de dag komen (ex-sistere). De oceaan van Leven is de bron en instandhouder van alle bestaan; dat wat tevoorschijn is gekomen bestaat; dat wat niet tevoorschijn is gekomen heeft geen bestaan.

V. Omdat er het ene Leven en de ene Wet is, lijkt het erop dat alles op hetzelfde moment begint?

A. We worden geconfronteerd met het feit dat er natuurrijken zijn van wezens onder de mens en dat van de mens zelf; de huidige toestand van deze natuurrijken laat zien dat er een verschil was in het begin van hen als wezens- of bestaansvormen. Wat we moeten doen is de levensfilosofie bestuderen en toepassen zoals die aan ons is gegeven, zodat we kunnen begrijpen waarom de dingen zijn zoals ze zijn en wat het werkelijke doel is van het bestaan. De wet regeert in dit alles, niet het sentiment.

V. Als bewustzijn - de waarnemer - nooit verandert, wat is het dan dat evolueert?
A. De waarnemer heeft het vermogen om waar te nemen en zijn waarnemingsbereik te vergroten. Zijn vermogen om waar te nemen verandert niet ten gevolge van welke verworven waarnemingen dan ook; hij kan altijd zijn waarnemingsveld blijven vergroten. Naarmate zijn waarnemingen toenemen in bereik, ontwikkelt hij een beter instrument om indrukken te geven en te ontvangen. Een steeds toenemende intelligentie en een verbetering van de vormen maken de evolutie uit.

V. Maar als de waarnemer nooit verandert, wat is dan de schakel die hem aan zijn evoluties bindt?

A. Zijn kennis ervan; hij kan wat hij weet niet ontkennen. Op basis van zijn verworven kennis kan verdere kennis worden verworven. Het universum wordt geëvolueerd, geregeerd en in stand gehouden door intelligentie.
V. Wat is de wil?

A. Wil is de energie van bewustzijn uitgedrukt in actie, op elk gebied van manifestatie. Er zijn vele aspecten van de wil, van de gewone die ‘de wil om te leven’ is en wordt uitgedrukt in de automatische fysieke actie, zoals de hartslag, spijsvertering, enz.; die van de handelingen die volgen op gewone gedachten, begeerten en behoeften; die welke wordt ontwikkeld door verschillende vormen van oefening; tot de hoogste fase, die van de Spirituele Wil. Deze fase wordt ontwikkeld door ware onzelfzuchtigheid, een oprecht en volledig verlangen om te worden geleid, geregeerd en bijgestaan door het Hogere Zelf, en om door middel van discipline of ervaring datgene te doen en wat dan ook te lijden of te genieten wat het Hogere Zelf voor iemand in petto heeft.

V. Mr. Judge zegt dat de toegang tot incarnatie via voedsel verloopt. (p. 79) Wat wordt daarmee bedoeld?

A. Er wordt in het hoofdstuk een hint gegeven met betrekking tot de feitelijke fysieke processen die door het Ego moeten worden ondergaan in de overgang van de onbelichaamde naar de belichaamde toestand. Het is duidelijk dat onze lichamen worden gevormd uit en in stand gehouden door voedsel vanaf de conceptie tot de dood van het lichaam. Dit voedsel is afkomstig uit de fysieke rijken van de natuur en wordt omgezet in de verschillende elementen die het lichaam en zijn processen vormen en in stand houden. Reproductie vindt voortdurend plaats in het bloed, de cellen, de organen en de fijnere bestanddelen van het lichaam en wordt noodzakelijkerwijs beïnvloed en gekenmerkt door de ideeën en gevoelens van de bewuste entiteit die het lichaam bewoont. Het is niet moeilijk om zich een omzetting voor te stellen van al deze reproducties in één synthetische toestand die een contactpunt zal vormen voor het astrale lichaam van de reïncarnerende entiteit en een middel voor de geleidelijke concrete vorming van het fysieke lichaam, organen en processen vóór de geboorte.

V. Op bladzijde 77 zegt het hoofdstuk dat atma-buddhi-manas nog niet volledig is geïncarneerd in dit ras. Wat betekent dit?

A. De bewering houdt in dat de Goddelijke Triade, die de kennis bevat die door alle vorige levens heen is opgedaan, nog niet het punt heeft bereikt waarop deze kennis op dit gebied beschikbaar is. Atma-buddhi-manas is de Triade. De binnenkomende wig, om zo te zeggen, die de verbinding maakt tussen de innerlijke mens en de fysieke wereld is manas, de denker, en het denkvermogen.

Het lange evolutieproces dat nodig is om de fysieke elementen om te zetten in een ontvankelijk onderkomen voor het inwonende Ego, heeft de aandacht van het Ego zozeer gericht op het lichaam en zijn omgeving - de externe fysieke wereld – dat het, terwijl het een lichaam gebruikt in zijn periodieke incarnaties, is gebonden door zijn vorige gedachten en handelingen onder de wet van karma, oogst wat werd gezaaid in vorige levens, en gelijkaardige zaden zaait voor de toekomst. Dit staat alleen een manasische werking op het fysieke vlak toe, omdat de ideeën die men erop nahoudt, gebaseerd zijn en betrekking hebben op dat gebied, waardoor de enorme voorraad van vroegere en innerlijke ervaringen niet beschikbaar is. Dit is de toestand van de mensheid als geheel; toch is er nooit een tijd geweest waarin het voor het individu onmogelijk was om volledige kennis en controle te verwerven.

Het is vanwege deze onvolledigheid van incarnatie dat we zoveel psychologische mysteries onder menselijke wezens vinden. Persoonlijke psychologische ervaringen worden gewoonlijk beschouwd als communicatie van hogere wezens, waarbij de aard van het veronderstelde wezen varieert naargelang de persoonlijke ideeën die men heeft; terwijl, op enkele uitzonderingen na, zulke ervaringen te wijten zijn aan onvolmaakte opvattingen over de aard en de krachten van de innerlijke mens. Experimenten met hypnose hebben verschillende zogenaamde ‘persoonlijkheden’ laten zien die via één persoon spreken en elk van hen verschilt in karakter van de andere en van de persoon op wie het experiment wordt uitgevoerd.

De verklaring kan worden gevonden in het feit dat in vele gevallen de abnormale toestand die hypnose veroorzaakt, toelaat dat vluchtige en niet-gerelateerde ervaringen van voorbije bestaansvormen worden waargenomen en aangenomen als huidige realiteiten. Naarmate de huidige cyclus vordert, zullen steeds meer van deze en andere psychologische ‘mysteries’ duidelijk worden; dit zullen altijd mysteries blijven voor de hedendaagse westerse psychologie, maar de oude wijsheid van het Oosten lost ze allemaal op.

V. Wat weerhoudt onze psychologen, wetenschappers en religieuze leraren ervan deze dingen te weten?

A. Onwetendheid en trots. Onwetendheid over de werkelijke aard van de mens en het doel van het bestaan en trots op hun eigen persoonlijke voorkeuren en bezigheden. Eeuwen van materialistische opvattingen over religie, wetenschap en het leven in het algemeen hebben het intellect van mensen afgesloten voor ware inzichten in de aard van de intelligentie die zij zelf gebruiken bij deze bezigheden. Geloofsovertuigingen nemen de plaats in van kennis en theorieën de plaats van begrip, omdat zowel geloof als theorie vertrekken op basis van het aardse bestaan in plaats van de spirituele werkelijke en permanente bron van alle manifestatie.

V. Religie is toch zeker niet materialistisch?

A. Het woord ‘religie’ zou afgeleid zijn van het Latijnse ‘re-ligare,’ opnieuw verbinden, of terug verbinden, aan de bron van alles. Er is werkelijke religie; er zijn ook valse religies. Een valse religie is er een die gebaseerd is op materialistische opvattingen over de Godheid en het leven, zoals een persoonlijke God die los van het universum bestaat; een persoonlijke verlosser; een persoonlijke hemel die eeuwig duurt; een persoonlijke hel die ook eeuwig is; al deze misvattingen die zijn gebaseerd op fysiek bestaan en afgescheidenheid zijn daarom volledig materialistisch.

V. Wilt u zeggen dat onze moderne wetenschap en psychologie eveneens materialistisch zijn?

A. Net zoveel als hedendaagse religies. De wetenschap stelt zich tevreden met een onderzoek van fysieke vormen en elementen en hun eigenschappen zoals die afzonderlijk en in combinatie worden waargenomen. Om de aldus vastgestelde ‘feiten’ te kunnen verantwoorden zijn er vele theorieën bedacht, zoals het ‘atoom’, het ‘elektron’, het ‘ion’ en het meest recente begrip ‘vitalisme’ - wetenschappers zijn kennelijk niet in staat om hun ideeën over een materiële basis voor alles wat was, is of zal zijn, overboord te gooien. 

De westerse psychologie is net zo slecht of nog slechter, want haar uitgangspunt is onderzoek naar de ideeën, gevoelens en emoties van het menselijke hersen-denken, dat zelf is gebaseerd op het fysieke bestaan. Er kan geen spirituele kennis voortkomen uit zulke methoden; ze lijken op die van Bunyan's ‘Pelgrim’ met zijn mesthark, die verwachtte de ziel van de wereld te vinden te midden van de zuiveringen van de materie.
N.v.d.r.: John Bunyan, Britse predikant uit de 17e eeuw die het boek schreef: ‘Eens Christens reize naar de Eewigheid’

V. Hebben wij niet het Woord van God in de christelijke Bijbel?

A. Een dergelijke bewering staat niet in de Bijbel zelf, en verder weten we dat elk woord in dat boek door mensen is geschreven, van Genesis tot Openbaring. De verschillende manuscripten die de Bijbel samenstellen, zijn ook door mensen geselecteerd naar hun eigen oordeel, en de bewering dat de compilatie het woord is van God, is ook door mensen verzonnen. Er is geen reden om aan te nemen dat de menselijke natuur in de oudheid minder feilbaar was dan nu; daarom is het een wijze benadering om elk boek te beoordelen op zijn eigen intrinsieke verdiensten en niet op enige voorgewende autoriteit.

Als de Bijbel eenmaal in het licht van de feiten wordt gelezen en er een vergelijking wordt gemaakt tussen de essentiële beweringen daarin en die van oude religies, dan zal blijken dat ‘er niets nieuws onder de zon is’, zoals Salomo zei. Elke zogenaamde Openbaring is door mensen gepresenteerd en is in alle gevallen slechts een overlevering geweest van wat al eerder bekend was. Wat iemand ook aanvaardt of verwerpt, hij doet dat uit eigen keuze en is daarom zijn eigen autoriteit: hij moet altijd zijn beste onderscheidingsvermogen gebruiken bij het onderzoeken van alles wat hem ter acceptatie wordt voorgelegd, en er tegelijkertijd voor zorgen dat hij over alle feiten beschikt. Autoriteit in zulke zaken is al eeuwenlang de vloek van de mensheid, want het is zeker dat alles wat een mens van het allerhoogste kan weten, is wat hij in, door en uit zichzelf weet.

V. Wat is volgens u de reden dat mensen in het algemeen aan hun religie vasthouden?

A. De ethiek die in elke religie die naam waardig vervat zit. Deze ethiek is dezelfde in alle religies en wordt door alle denkende mensen als waar en essentieel erkend, omdat zij voor waar geluk en vooruitgang zorgt en omdat ze waarnemingen zijn van de spirituele mens binnenin. Mensen verschillen alleen van mening over de bron van de ethiek, sommigen beschouwen ze als bevelen of openbaringen van de een of andere God, profeet, hervormer of wat dan ook, terwijl de meer intelligente mensen ze zien als uitdrukkingen van spirituele wetten die inherent zijn aan elk spiritueel wezen. Het bestaan van dezelfde ethiek in de verschillende religies is in tegenspraak met de verbreide verschillen van externe bronnen. Er is maar één bron, de spirituele en essentiële aard van de mens zelf.