Nieuwsflits » Activiteiten » Publicaties » Gele reeks » Boek II » Grote Theosofen

Grote theosofen: Het licht in duistere tijden

Het is onze bedoeling met deze reeks figuren uit het verleden een bijdrage te leveren tot een thema dat ons nauw aan het hart ligt en dat waarschijnlijk een van de belangrijkste elementen is van de hele Theosofie van de 19de en 20ste eeuw.

Dat thema is de continuïteit van de theosofische beweging. Er is ontegenzeglijk een beweging voor opvoeding en verlichting die uit Azië stamt, via het Midden-Oosten, Egypte en Griekenland, Europa heeft bereikt en sinds de tijden van Orpheus en Pythagoras hier op vele verschillende manieren heeft geijverd voor de geestelijke vrijheid en waardigheid van de mens.

 

Aldous Huxley schreef in de inleiding tot zijn boek ’The Perennial Philosophy (Londen, 1946):

Philosophia Perennis (deze uitdrukking is van Leibniz) -het ding zelf- de metafysica die een goddelijke Werkelijkheid erkent, die echtheid verleent aan de wereld van dingen, wezens en denkers; de psychologie die in de ziel iets ontdekt dat gelijkt op of zelfs gelijk is aan de goddelijke Werkelijkheid; de ethica die het uiteindelijke doel van de mens in de kennis van de immanente en transcendente Grond van alle bestaan plaatst - dat ding is onsterfelijk en universeel.

Primitieve delen van deze eeuwige filosofie zijn te vinden in de traditionele volkswijsheid van allerlei stammen in vrijwel alle streken van de wereld, en haar meer ontwikkelde vormen maken deel uit van al de hogere religies…

Volgens de Theosofie wordt deze beweging gedragen door de grote leraren en hun gezellen. De beweging is van alle tijden, landen en toestanden. Haar vormenrijkdom resulteert uit haar eigen overvloed en uit de verscheidenheid van haar expressies. Zij kent ook haar hoogte- en dieptepunten, maar het geestelijke verdwijnt nooit helemaal.

Zelfs in de donkerste cyclussen is de fakkel nog voor de ware zoekers te zien. Onder de leraren en hun boodschappers zijn er stormcentra, rustpunten en overgangsfiguren. En nu we met onze reeks in de zesde eeuw zijn aanbeland, en de periode van de grote middeleeuwse duisternis aanbreekt, voelen wij de noodzaak van bezinning.

In 529 heeft Keizer Justinianus de platonische Academie van Athene verboden en gesloten. Zij had meer dan negen eeuwen bestaan, en nu worden haar laatste zeven leden over de toenmalige wereld verspreid. Anderen zullen de toorts met het licht der waarheid verder moeten dragen. De politieke gebeurtenissen van de vroege middeleeuwen spelen hierin een voorname rol: de joden brengen in de diaspora hun wijsheid van de kabbala mee; de Arabieren veroveren onder de islam Noord-Afrika en Spanje, stichten daar hun nieuwe centra van studie en propageren er, naast hun oorspronkelijk zuivere godsdienst en hun scherpzinnige wetenschap, ook elementen van de Griekse filosofie, waaronder het neoplatonisme.

De meest vooruitstrevende geesten van het christendom nemen dit gretig op, koesteren het, vertalen en ontwikkelen. Zo ontstaat een soort filosofische bewapening tegen de excessen van sektarisme en onverdraagzaamheid, en hierdoor slaagt men erin onder de Europeanen een klimaat van aandacht voor de thema's van de wijsheidsreligie te scheppen.

In die bodem werkt vanaf de veertiende eeuw een nieuwe impuls van de theosofische beweging, een impuls gedecreteerd door de Tibetaanse monnik en hervormer Tsong-kha-pa, en die achtereenvolgens aanleiding geeft tot rozenkruis. hermetisme, renaissance en vrijmetselarij. Het is vooral de Ierse monnik Johannes Scotus ’Eriugena’ die door zijn vertaling van de werken van Dionysius de Areopagiet in de negende eeuw de ideeën van het neoplatonisme verspreidt en zo de bodem voorbereidt.

Dionysius, zo geloofde men, was een van de eerste Griekse bekeerlingen van de apostel Paulus, en daarom benaderde men zijn werk met grote eerbied. Maar, laat ons even het volgende noteren uit ’De geschiedenis der platonische en middeleeuwse wijsbegeerte’, van dr. Ferd. Sassen, (Standaard, 1928):

Een belangrijke poging tot wederzijdse doordringing van neo-platonisme en christendom vinden we in de werken van Pseudo-Dionysius de Areopagiet. Met deze naam wordt in de geschiedenis der wijsbegeerte de onbekende auteur aangeduid van enige werken die aan Dionysius de Areopagiet, de bekeerling van Paulus te Athene, werden toegeschreven.


Ze treden 't eerst in het licht omstreeks 530 en zijn in het westen vooral verspreid, sinds ze in 827 door de Byzantijnse keizer Michael I aan koning Lodewijk de Vrome werden toegezonden, en door Hilduin van St.Denis, later door Scotus Eriugena in 't Latijn werden vertaald…

Nadat Laurentius Valla (1407-1457), wellicht ook Photius (+820-897) aan de echtheid van deze werken het eerst hebben getwijfeld, is het thans, na de studies van Stiglmayr en Koch, als zeker aan te nemen dat ze niet door Dionysius de Areopagiet zijn geschreven... De schrijver moet het neoplatonisme van Proclus gekend hebben... ook put hij rijkelijk uit de Enneaden van Plotinus.

Op Johannes Scotus komen we in een van onze eerstvolgende boekjes nog terug. Hij heeft niet slechts Dionysius de (Pseudo-) Areopagiet vertaald: ook Macrobius en Martianus Capella, twee andere helden van de neoplatonische traditie, die onder andere de heliocentrische theorie hebben verdedigd.

Macrobius (Ambrosius Macrobius Theodosius) was een Romeinse taalkundige die leefde op het einde van de 4de en begin 5de eeuw en de ’Droom van Scipio van Cicero aanwendde om de neoplatonische gedachte te beschrijven.

Martianus Capella (voluit Martianus Minnaeus Felix Capella, uit Carthago), schreef in het begin van de 5de eeuw een encyclopedie in allegorische vorm. Deze twee schrijvers waren in de middeleeuwen zeer geliefd. Niettegenstaande de haat waarmee de kerk het heidendom en dissidenten überhaupt had vervolgd, is de gedachte van Plato door middel van deze figuren in het christendom doorgedrongen, en dit dankzij christenen.

En voor wat de christenen in dit verband betreft, mogen wij Augustinus niet vergeten.

Geboren in Tagaste in Noord-Afrika in 354 uit een heidense vader en een christen-moeder, in 387 te Milaan door Ambrosius gedoopt en in 395 gekozen tot bisschop van Hippo Regius, wijdde hij zijn leven, tot 430, aan de verdediging van de waarheid zoals hij ze zag. We citeren opnieuw dr. Ferd. Sassen:

‘De geschriften, die wij van Augustinus bezitten, dateren alle uit de tijd na zijn bekering. Hoewel zijn geest voortdurend neoplatoons gevormd bleef, moesten zijn gedachten een lange ontwikkeling doorlopen eer hij van een zuiver-wijsgerige levenshouding tot de volkomen verstandelijke beleving van de christelijke leer was gekomen ...

Augustinus staat op de grens van oudheid en middeleeuwen. Heel de rijkdom van de antieke psyche en van de heidense beschaving heeft hij in zich nageleefd en verwerkt om die in christelijke vorm aan later tijden over te geven

... De wijsbegeerte van Augustinus is vooral door het neoplatonisme beïnvloed. De werken van Plotinus en Porphyrios kende hij in de vertaling van Marius Victorinus ... Wijsbegeerte is voor Augustinus alles wat de mens voor zijn eeuwig heil tot nut kan zijn…’

Augustinus staat ’op de grens van oudheid en middeleeuwen’ omdat de historici de val van het Romeinse Rijk in 476 beschouwen als het einde van de oudheid. Het proces van verval was reeds veel vroeger begonnen: het Rijk werd verdeeld in oost en west in 395; in 409 trokken Vandalen, Sueven en Alanen Spanje binnen; in 468 versloeg Clovis, de Frank, de Romeinse veldheer Syagrius in Frankrijk, en in 476 liet Odoakar, vorst van de Herulen, zich tot koning van Italië uitroepen nadat hij zich aan het hoofd van de Germaanse hulptroepen had geplaatst. Later moest hij het afleggen tegen de Oost-Goten.

Volgens een algemene conventie eindigen de ’middeleeuwen’ met de ontdekking van Amerika, in 1492. De naam zelf is gebaseerd op een idee van Duitse koningen in het Italië van de veertiende eeuw: zij meenden dat het Romeinse Rijk zich tot in hun tijd had gehandhaafd, en beschouwden zich dus als Romeinse keizers. De ’middeleeuwen’ vulden het ’midden’ op, de periode van het antieke Rome tot henzelf. Niet iedereen was het daarmee eens. De geleerden die de geschiedenis bestudeerden waren ervan overtuigd dat er wel degelijk een tijd van verval in Rome was geweest.

De groeiende belangstelling voor de cultuur van de oudheid bracht een ’renaissance’ van die cultuur teweeg, en men begon smalend neer te kijken op de tussenliggende periode van de middeleeuwen, voorafgegaan aan de ’verlichting’ van de renaissance, en dus gekarakteriseerd als ’duister’.

Typisch voor deze mentaliteit is de gewoonte de architectuur v an de middeleeuwen ’gotisch’ te noemen: dit betekende ’barbaars’. Zulke oppervlakkige houdingen waren blijkbaar meer door voorkeur en afkeer ingegeven dan door ernstig en evenwichtig onderzoek. Ook theosofen moeten zich hoeden voor al te vlugge en arbitraire beoordeling. Begrijpelijkerwijze zijn zij ietwat vooringenomen tegen perioden waarin de kerk hun beweging wreed en meedogenloos vervolgde.

De oorlog tegen de Albigenzen en Katharen, de inquisitie, de corruptie van de christelijke godsdienst geallieerd met de politieke macht, de dictatuur van dogmatisme en sektarisme hebben af en toe het besef van het relatieve doen vergeten.
De geschiedenis is vol van uiterst complexe situaties en in menselijke ondernemingen is er veel meer grijs dan zwart en wit.

Het hiernavolgend artikel, vertaald uit het tijdschrift ’THEOSOPHY van oktober 1937 is misschien symptomatisch voor die geest van verontwaardiging. Wij nemen het op in deze reeks omdat het de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen probeert samen te vatten, aansluitend bij de zesde eeuw, en ook omdat het reeds figuren vermeldt die we later hopen te behandelen.

Bijzonder interessant is hier de belangrijke rol toegekend aan de nestorianen als kanaal van transmissie van neoplatonische leringen naar de islam.

GROTE THEOSOFEN: HET LICHT IN DE DUISTERE TIJDEN

De zesde eeuw is de somberste periode in de geschiedenis van de westerse wereld geweest. Zij vertegenwoordigt het nadir of dieptepunt van de 2500-jarige cyclus (1) die begon met Pythagoras en eindigde met H.P.Blavatsky, en komt analogisch overeen met de laagste van de zeven werelden.

Het is bijna onmogelijk zich een duidelijk beeld over het Europa van die tijd te vormen omdat er, tijdens de tweehonderd jaar na het begin van deze duistere eeuw, nauwelijks een christen te vinden was die kon lezen of schrijven. De enige belangrijke geschiedschrijver van die tijd was de halfongeletterde Paus
Gregorius de Grote (2), die door historici gekenmerkt wordt als de meest onverbeterlijke vijand van de geleerdheid die ooit heeft bestaan, en wiens ‘Dialogen de vraag doen rijzen of zij wel door een prominente figuur en voor volwassen denkers waren geschreven.

Paus
Gregorius koos als motto Onwetendheid is de moeder van de godsvrucht’ en hij vierde zijn machtsovername door de Palatijnse bibliotheek (3) te verbranden en de studie van de wiskunde en de klassieken te verbieden.

Hij was zo trots op zijn eigen onwetendheid dat hij openlijk pochte op de ongrammatische bouw van zijn eigen geschriften en dat hij een priester streng berispte omdat deze aandacht had besteed aan de regels van de spraakkunst.

In deze eerste eeuw stond de wetenschappelijke kennis in Europa op haar allerlaagste peil. Het idee van de bolvorm van de aarde, duizend jaar tevoren algemeen aanvaard, was nu anathema. De christelijke wereld had de kosmogonie van Cosmas Indicopleustes (4) aangenomen. Deze monnik beschreef de aarde als een rechthoekig vlak, vierhonderd dagreizen lang en tweehonderd breed. Boven de aarde, als op een tweede verdieping, ligt de hemel. Hier houden de engelen zich bezig met heen en weer trekken en duwen om de planeten te laten bewegen en met het openen van de hemelse paleisvensters, opdat het op aarde zou kunnen regenen.
De hemel zelf, het einddoel van alle 'orthodoxe' christenen, wordt door stromen van ijskoud water gekoeld. De hel bevindt zich onder de aarde en wordt bewoond door allen die voor Jezus Christus waren geboren en door hen die, nadat zij het evangelie hadden gehoord, weigerden het te aanvaarden.

Cosmas sluit zijn verhandeling af met enthousiaste beweringen dat niet slechts Mozes en de heiligen, maar ook al de engelen en apostelen, met de waarheid van zijn leringen instemmen, en verzekert zijn lezers dat God op de Dag des Oordeels allen die ze niet aanvaarden zal veroordelen.

Dat was de ’wetenschap’ van Europa in de zesde eeuw. Studie van de filosofie was een staatsmisdrijf, en wie in zijn woning betrapt werd op het bezit van een wijsgerig boek werd beschuldigd van tovenarij en ter dood gebracht.

De vervolging van geleerden, door de christelijke kerk langer dan vier eeuwen volgehouden, had op den duur alle bestuderenden van wetenschap en filosofie uit Europa verdreven.
Deze mensen zochten en vonden een toevluchtsoord in Arabië, toen nog een onoverwonnen land van vrijheid, en van daaruit gingen zij voort de kennis te verspreiden die de oorzaak van hun vervolging en verbanning was geweest.

De vervolgde gnostici gaven de Arabieren kennis van de Griekse wijsbegeerte. De nestorianen maakten hen bekend met de neoplatonische auteurs en de vervolgde joden gaven hun onderricht in de kabbala.

Van de verscheidene groepen die in de Arabische landen een veilige schuilplaats hadden gevonden waren de nestorianen (5) de machtigsten. Nestorius, de stichter van de Orde, was de bisschop die had geweigerd de Maagd Maria als de Moeder Gods te beschouwen. Hij werd in de ban van de kerk geslagen en verdreven naar een Afrikaanse oase waar hij van dorst omkwam. Na zijn dood weken zijn volgelingen uit naar Klein-Azië, China, Tartarije en India.

Zij vermenigvuldigden zich zo snel dat zij op den duur meer aanhangers telden dan alle christenen van de Griekse en Romeinse kerken samen. Onder deze nestorianen waren er velen die de hermetische wijsbegeerte en de kabbala bestudeerden. Velen van hen hadden, zoals Nestorius zelf, grote belangstelling voor het neoplatonisme, en anderen voelden meer voor de leringen van de gnostici. Onder de volgelingen van Nestorius bestonden dus vier stromingen van de antieke wijsheidsreligie en daarom mag men stellen dat zij een belangrijke schakel in de keten van de theosofische beweging waren.

In het laatste kwart van de zesde eeuw had een gebeurtenis plaats, die niet slechts de geschiedenis van Europa maar die van de hele wereld ingrijpend zou veranderen. Op een dag in de zomer van het jaar 581, verscheen in de kleine stad Busra een karavaan van kamelen, beladen met de kostbare producten van Zuid-Arabië.
De leider van de karavaan werd vergezeld door een jongeling, Mohammed genaamd, die de neef was van de bewaker van de Kaaba, de heilige tempel van de Arabieren in Mekka.

Tijdens zijn verblijf in Busra werd Mohammed ontvangen in het nestoriaanse klooster. Hij had er lange gesprekken met de monniken en was diep geïnteresseerd door hun wijsgerige en godsdienstige opvattingen, bijzonder door hun afkeer van afgoderij en hun opstand tegen de vervleselijkte Drievuldigheid van de orthodoxe christelijke kerk.

Naarmate Mohammed opgroeide kwam hij meer en meer onder de invloed van de nestorianen. Op den duur trok hij zich terug in een grot en gaf zich over aan meditatie. Uit de stille gemeenschap met zijn eigen gedachten groeide zijn overtuiging dat God de Eenheid was.

Dan verliet hij zijn plaats van afzondering en besloot zijn gehele leven aan de verspreiding van die ene waarheid te wijden. Zes jaar later had hij slechts 1.500 mensen bekeerd, maar toen hij Medina verliet voor zijn laatste pelgrimstocht naar Mekka werd hij vergezeld door 114.000 volgelingen. De islam telt nu meer dan 200 miljoen gelovigen.

Zoals Jezus en de Boeddha vóór hem had Mohammed evenmin de bedoeling een nieuwe godsdienst te stichten. Hij wilde het christendom en het judaïsme hervormen, en het sektarisme en de afgoderij vernietigen waarin zij waren vervallen. Verscheidene eeuwen lang beschouwden de moslims hun religie als niet meer dan een zijtak van het nestorianisme. Pas toen de islam door zijn eigen successen werd bedwelmd, verwierp hij de oorspronkelijke bedoelingen van zijn stichter en maakte hij aanspraak op een aparte openbaring.

Hoe dan ook was er een frappant verschil tussen het christendom en de islam, een verschil dat vanaf het begin en in beide religies verscheen en vele eeuwenlang voortduurde. Terwijl de christenen geleerdheid aan de kaak stelden, werd zij door de mohammedanen aangemoedigd. Waar de enen bibliotheken en universiteiten vernielden, bouwden de anderen ze op. Binnen de vijfentwintig jaar na de dood van Mohammed was intellectuele ontwikkeling een vast principe in het systeem van de islam geworden. Ali, de schoonzoon van Mohammed, werd een beschermer van kunsten en wetenschappen en wijdde zich aan studie en het vergaren van kennis.

Toen de zetel van de regering naar Bagdad werd verlegd, begon een nieuw tijdperk van intellectuele ontwikkeling die uiteindelijk grote invloed op Europa zou uitoefenen. De eerste kalief van Bagdad was een toegewijde leerling van de wetenschappen, die vele colleges van geneeskunde en rechtsgeleerdheid instelde. Toen Haroen-al- Rasjid, (de held van de ‘Duizend en een nachten') aan de macht kwam, beval hij dat naast elke moskee een school zou worden gebouwd.

Hij ging nooit op reis zonder zijn gevolg van honderd geleerden. Sir Mark Sykes geeft ons een helder beeld van de mohammedaanse cultuur onder zijn regering:

’Het keizerlijk hof was verfijnd, weelderig en rijk. Elk ministerie had behoorlijk ingerichte en geregelde openbare kantoren. Er was een overvloed aan scholen en colleges. Filosofen, studenten, artsen, dichters en theologen stroomden uit alle delen van de beschaafde wereld naar Bagdad.’
('The Caliph's last message' - ‘De laatste boodschap van de kalief'.)

Terwijl de christenen nog verklaarden dat de wereld een plat vlak was, onderwezen de mohammedanen in hun scholen de geografie door middel van globes.

Waar de christenen ’heilige relikwieën’ wilden aanraken met de hoop aldus van hun ziekten te worden genezen, organiseerden de mohammedanen grote medische scholen, die volgens streng wetenschappelijke richtlijnen werkten en moeilijke toelatingsexamens oplegden.
In deze colleges bestudeerde men fysiologie en hygiëne en hun 'materia medica' was praktisch dezelfde als de onze nu.

Hun chirurgen kenden het gebruik van anesthesie en volbrachten sommige van de moeilijkste bekende ingrepen. In een vroegere publicatie van de Amerikaanse Universiteit te Beiroet komt een beschrijving van een van deze Arabische ziekenhuizen voor: het aantal patiënten dat dagelijks werd opgenomen beliep soms 4.000!

Iedere patiënt die ontslagen werd kreeg een som geld en een stel kleren mee. De meubelen en de bedden van dit ziekenhuis hoefden in kwaliteit niet onder te doen voor die van de paleizen van de kalief. Bekwame artsen, bevoegde inspecteurs, uitstekend opgeleide bestuurders en toegewijde dienaren verzorgden de zieken.

Wat een contrast tussen de toestanden in mohammedaans Arabië en die van het christelijke Europa! Wanneer een christen ziek werd, bestond zijn enige hoop op genezing in de mogelijkheid een of andere relikwie aan te raken, die door reizende monniken tegen betaling van een flinke som geld werd aangeboden. Er bestaan beschrijvingen van zulke relikwieën door monniken die ze uit Jeruzalem meegebracht hadden en hun verhaal toont duidelijk hoe diep de intellectuele verwording in Europa was gevallen.

Ze hadden een vinger van de Heilige Geest, de snuit van een serafijn, een vingernagel van een cherubijn, een van de ribben van het Woord dat vlees was geworden, zelfs enkele stralen van de Ster die de Wijzen naar de wieg van het Heilig Kind had gebracht; er was ook een flesje met het zweet van de aartsengel Michael, dat deze tijdens zijn gevecht met de duivel van zijn lichaam had laten druppelen. ’Dit alles’, verklaarde de devote monnik,’heb ik op mijn reis vergaard en meegebracht’.

In het jaar 800 plaatste Paus Leo III de koninklijke kroon op het hoofd van Karel de Grote, die zijn dankbaarheid aan de kerk bewees door voortaan allen te laten onthoofden die nog zouden weigeren het christendom te aanvaarden of tijdens de vastentijd nog vlees zouden eten. Toen Karel de ambrosiaanse gezangen in de kerk invoerde om de oude gregoriaanse te vervangen liet hij meteen de 'zangers' met hun muziek op de brandstapel jagen. Maar er was een grens aan Karels gehoorzaamheid aan de pauselijke bevelen; hij toonde dat hij het celibaat afwees door negen echtgenotes en ettelijke bijzitten te nemen en hij verzette zich openlijk tegen het pauselijk verbod van opvoeding door te leren lezen en schrijven.
Dit viel hem echter niet mee, want hij kon niet veel meer doen dan zijn eigen naam neerpennen.

Maar in de negende eeuw verschijnt een man die stoutmoedig genoeg was om het heilig anathema tegen de studie van de filosofie te trotseren en moedig genoeg om te verklaren dat de rede boven het geloof stond. Die man was Johannes Eriugena. Hij was geboren in Brittannië, had in zijn jeugd de hand kunnen leggen op werken van Plato en Aristoteles en had die in alle stilte en in het geheim bestudeerd.

In het jaar van de kroning van Karel de Grote vertrok Eriugena voor een pelgrimstocht naar de plaatsen waar deze twee groten hadden geleefd en geleerd. Daar kwam hij in contact met mensen die op de hoogte waren van de filosofieën van Griekenland en het Verre Oosten, wat bewijst dat er ook in die duistere tijden in Europa verborgen theosofen moeten zijn geweest.

Zodra Eriugena in zijn land terugkeerde schreef hij een belangrijke verhandeling getiteld ’De divisione naturae’, waarin hij vele theosofische leringen verkondigde.

God, zei hij, is niet e en Persoon maar een 'Principe', dat de schepper, de bewaarder en de vernieuwer van de Natuur is, ’het begin en de oorzaak van alle dingen; het einde en het volbrengen van alle dingen.’ Het Universum, verklaarde hij, is een 'emanatie' van dit Ene Principe, dat het Leven zelf is. Het Leven is daarom universeel, en er is in de hele Natuur niets dat dood of onbezield is.
Eriugena verklaarde dat dit Eerste Principe zich uitdrukte als de fundamentele wet van het Universum, die hij beschreef als de wet van oorzaak en gevolg. Hij hield ook staande dat alle zielen één zijn met de Universele Wereldziel. Daar Johannes Eriugena aldus de drie grondstellingen van de Theosofie tot uiting bracht, moet hij worden beschouwd als een van de ’gezellen’, van wie het het werk is de leringen van de antieke wijsheidsreligie opnieuw te ontdekken en te verspreiden.

Tijdens de achtste en negende eeuw verschenen vier ’gezellen’ in de mohammedaanse wereld. Twee van hen gaven de neoplatonische overlevering door; de andere twee zetten de hermetische lijn van de beweging voort.

De neoplatonische gedachte, vanaf de vijfde eeuw gedragen door de nestorianen, kreeg in de achtste eeuw nieuw leven ingeblazen door de grote Arabische wijsgeer Al-Kindi. In zijn jeugd was Al-Kindi in contact gekomen met Arabische vertalingen van de werken van Proclus, Plotinus en Pythagoras. Zijn belangstelling voor het neoplatonisme werd zo groot dat hij Grieks ging studeren om de werken van andere neoplatonici te kunnen vertalen.

Toen hij stierf liet hij vele van deze vertalingen na, aangevuld met uitgebreide commentaren van hemzelf. Het werk van Al-Kindi werd in de negende eeuw voortgezet door een al even befaamde Arabische geleerde, Al-Farabi, die zijn filosofische opleiding in Bagdad had gekregen. Hij schreef uitvoerig over vele onderwerpen, die alle vanuit het neoplatonische standpunt werden benaderd. Hij werd opgevolgd door zijn nog beroemdere leerling, Avicenna.

De hermetische stichting van de theosofische beweging vond bekwame vertegenwoordigers in twee andere illustere Arabische geleerden: Geber (Djabir) en Rhazes.

Het leven van Geber (van wie de echte en volledige naam Aboe Moesa Djabir-al-Soefi-ben-Hayan was) is vol mysterie. Sommige historici beschrijven hem als de ’verlichte monarch van India’, die uit dat land was gekomen om de zonen van de islam in oosterse filosofie te onderwijzen.

Anderen zeggen dat hij een Perzisch mysticus was, een lid van de geheimzinnige sekte van de soefi’s.
Wat zijn mystieke relaties ook geweest mogen zijn, er schijnt geen twijfel te bestaan omtrent de omvang van zijn wetenschappelijke kennis.
Geber of Djabir wordt ’de vader van de moderne scheikunde’ genoemd en hij wordt erkend als de man die de scheikundige wetenschap in Europa invoerde. Hoefer zegt dat Geber voor de geschiedenis van de chemie heeft gedaan wat Hippocrates had gedaan voor de geschiedenis van de geneeskunde.
Cardan beschouwde hem als een van de twaalf grootste genieën van de hele wereld.

Geber schreef meer dan vijfhonderd boeken, waarvan er echter maar drie zullen overblijven. Hij versluierde zijn werkelijke leringen onder zo’n duistere taal dat de naam ’Geber’ op den duur aanleiding gaf tot het Engelse woord ’gibberish (brabbeltaal, koeterwaals).
De reden waarom de taal van Geber bij de gemiddelde wetenschapper als ’gibberish overkwam, is dat Geber de scheikunde vanuit een filosofisch en ethisch standpunt benaderde.

Hij verklaarde dat niemand echt de problemen van de scheikunde kon begrijpen zonder eerst te leren 'zichzelf' te kennen. Hij stelde dat de materie vanuit het geestelijk standpunt moet worden beschouwd, en in zijn ’Boek der genade’ (een vreemde titel voor een werk over scheikunde) verklaarde hij: ’…het lichaam is slechts de plaats van verblijf en het toevluchtsoord van de geest, en de geest is de werkelijke kracht in elk lichaam.’

De hermetische en alchemistische lijn van de theosofische beweging werd in de negende eeuw voortgezet door de grote Arabische filosoof en wetenschapper Rhazes, van wie de werkelijke naam Aboe Bakr Mohammed ben Zakariya al–Razi was. Hij besteedde vele jaren van zijn leven aan de studie van de overeenkomsten tussen de planeten, de metalen en de menselijke principes. Zijn bijval was zo groot dat zijn methoden de basis van de medische studies in alle grote Arabische universiteiten werden en tot in de tijd van Paracelsus werden beschouwd als de uiteindelijke autoriteit in de geneeskunde.

Z o zien wij in het leven van deze vijf mannen - een in christelijk Europa en vier in mohammedaans Arabië - een overtuigend bewijs van de continuïteit van de theosofische beweging, waarvan het licht nooit wordt uitgedoofd, hoewel de vlam soms laag kan branden.


NAWOORD en VOETNOTEN


Ongetwijfeld kan men bij veel punten van dit interessante stuk heel wat vraagtekens plaatsen. Er wordt veel in gezegd, helaas vaak zonder alle bronnen aan te duiden, en dat maakt het opzoekwerk des te moeilijker, temeer omdat de populaire of traditionele Arabische namen in de wetenschappelijke werken van onze tijd vervangen zijn door de juiste, en die zien er meestal zo anders uit dat men er de vroegere nauwelijks in terugvindt .

Misschien zullen sommige lezers verbaasd zijn over de nogal agressieve toon enerzijds en het kritiekloze ophemelen van bewonderde figuren anderzijds.
Tegen dit verschijnsel hebben we steeds gewaarschuwd en we hebben het gedeeltelijk verklaard in ons woord vooraf. Het zeer summiere relaas van de middeleeuwse dwaasheden kan ongeloofwaardig klinken, maar we mogen er zeker van zijn dat het in werkelijkheid nog veel erger was.
Als een bisschop Lefêvre de Franse katholieken van de twintigste eeuw ongestraft mag waarschuwen tegen vrouwen- en maagdenroof door de islam, naar aanleiding van de hoofddoek-affaire in sommige scholen, wat zou hij dan niet in de middeleeuwen gezegd en gedaan hebben?
En onze tijd hoeft waarlijk niet onder te doen wanneer het aankomt op voorbeelden van onbeschrijflijke wreedheid en stommiteit.

Laat ons door middel van enkele voetnoten proberen een evenwichtige kijk op de dingen te vergemakkelijken.

  1. De cyclus Pythagoras - HPB: onderhavig artikel is het werk van een theosoof, volgeling van HPB, en de schrijver schrikt er niet voor terug zijn interpretaties voor te stellen als feiten. Daarmee bedoelen we niet dat zijn beweringen fout zijn, maar alleen dat een zekere voorzichtigheid geboden is.

  2. Paus Gregorius de Grote: onder de zestien Pausen met die naam was hij de eerste. Hij leefde van +540 tot 12-03-604 en was paus van 590 tot 604.
    Met eigen kapitaal stichtte hij benedictijnerkloosters, zes op Sicilië en één in Rome. Hij ijverde voor de bekering van Corsica, van de ariaanse Visigoten in Spanje, kocht in 593 de aftocht van de destructieve Longobarden af en onderhield goede relaties met de Franken.
    Als theo-politicus wist hij de positie van de kerk te verstevigen, ook economisch. Hij had een belangrijk aandeel in de invoering van de naar hem genoemde liturgische muziek.
    In de werken die wij ter beschikking hebben vinden we geen uitgesproken tekens van intellectueel obscurantisme.

  3. Palatijnse bibliotheek: de Palatijn is de voornaamste van de zeven heuvels waarop Rome werd gebouwd en waar de Romeinse keizers hun paleis hadden. De 'Bibliotheca Palatina' werd daar, in de zuilengalerij van de Apollotempel, in 28 v.Chr. door keizer Augustus gesticht. De Palatina ging verloren bij een brand ten tijde van keizer Commodus, vermoedelijk tussen 180 en 192.
    In de veertiende eeuw ging de naam over op de bibliotheek van de universiteit van Heidelberg, vooral verrijkt door toedoen van de Paltskeurvorsten Lodewijk III en Otto Hendrik. Na de verovering van Heidelberg door de troepen van keurvorst Maximiliaan I van Beieren schonk deze een groot deel ervan aan Paus Gregorius XV, enz., enz. Hoeveel vraagtekens moeten we hierbij plaatsen ? Is de geschiedenis vervalst of heeft onze theosofische schrijver zich vergist ?

  4. Kosmas Indicopleustes of Cosmas Indicopleustes: een Egyptische handelaar, daarna monnik die, naar zijn naam te oordelen, in India moet zijn geweest.
    Rond 550 schreef hij een 'Topographia christiana' en verdedigde daarin, tegen Ptolemaeus en op grond van het Oude en Nieuwe Testament, een vlakwereld-beeld.

  5. De nestorianen: Nestorius, patriarch van Constantinopel in 428, was een Syriër. Hij weigerde inderdaad te aanvaarden dat God uit een vrouw kon worden geboren, maar dat was slechts één aspect van zijn ketterse inzichten: hij schijnt te hebben ontkend dat de Vader en de Zoon in de ’hypostatische unie’ waren verenigd wat voor ons, als gewone leek, klinkt alsof Nestorius zou hebben geloofd dat de Vader en de Zoon niet van dezelfde substantie waren. Theologische disputen zijn pijnlijk studiemateriaal en wij zien er dus van af.
    De tegenstander van Nestorius was de beruchte Cyrillus van Alexandrië (zie Hypatia). Op concilies in 431 veroordeelden en excommuniceerden de voor- en tegenstanders van Nestorius elkaar, maar de keizer koos partij voor de tegenstanders en Nestorius werd verbannen naar Egypte, waar zijn verblijfplaats werd aangevallen en hij amper vier jaar later in grote ontbering omkwam. Dat zijn standpunten een neoplatonische tendens hadden lijkt ons duidelijk uit het volgende, ontleend aan het ’Dictionary of Sects, Heresies and Schools of Religious Thought, John Henry Blunt, D.D., London, 1903, p.369:

  1. Hij verwierp categorisch de mening van hen die beweerden dat Christus slechts een gewoon mens was.

  2. Hij hield staande dat het Woord in Jezus Christus met het menselijke was verenigd, en dat deze eenheid intiem en precies was.

  3. Hij stelde dat deze twee Naturen, één Christus en één Zoon, één Persoon vormden.

  4. En dat deze Persoon of goddelijke ofwel menselijke eigenschappen kon hebben zoals die Hem werden toegeschreven.

Winkler Prins’, 1952, deel VII, p.443 zegt:

’De nestoriaanse kerk is groot geworden door haar zeer uitgebreide missie-activiteit zowel in het Midden-Oosten als in Oost- en Zuid-Azië. Sedert de 7de eeuw hebben nestorianen de Arabieren de Griekse wetenschap overgeleverd, die tenslotte via Spanje weer naar Europa is teruggekeerd. De zending der nestorianen reikte tot Noord-Arabië, tot de Hunnen en Turken, tot Tibet, China en de Indische Archipel; bovendien heeft de nestoriaanse kerk de zeer oude Syrische gemeenten op de kust van Malabar nieuw leven ingeblazen (de zgn. Thomas-christenen)... In het midden van de 19de eeuw hebben de Koerden, en in Wereldoorlog I de Turken, de nestorianen gedecimeerd.

 

Nog slechts kleine restanten zijn over van deze kerk, die eeuwenlang het enige contact van de Aziatische wereld met het christendom is geweest.’ (Prof. Dr. C.W. Hönnich).

  1. Karel de Grote: het was toch onder zijn regering dat het klassieke Latijn opnieuw in de scholen werd aangeleerd. In de zesde eeuw was het reeds een volkstaal met veel varianten geworden. Het Karolingische Rijk wordt geacht in de negende en in de tiende eeuw de geestelijke krachten van het christendom te hebben gebundeld.

    Het Rijk moest een theocratie zijn, en Karel zou met geweld en doodslag op grote schaal het katholieke geloof verdedigen en verspreiden.
    Karel trok geleerden uit Brittannië aan (bv. Alcuin, in 785) om in Frankrijk het godsdienstonderwijs te organiseren. Door de invallen van de Vikingen werden de Keltische en Angelsaksische culturen in hun land van oorsprong bedreigd en onder de opvolgers van Karel de Grote kwamen grote aantallen ’scotische ’ monniken zich op het vasteland vestigen. Dat heeft dan weer de invloed van het ’christelijke’ neoplatonisme, dat van Dionysius de Areopagiet, mogelijk gemaakt. Zelfs onder barbaren zoals Karel de Grote kroop het licht door de spleten.

Het ligt niet in onze bedoeling in onze reeks aan geschiedenis te doen, en daarom concentreren we ons op die gebeurtenissen, personen en toestanden die de theosofische beweging kunnen illustreren en er ons een meer accuraat beeld van kunnen geven. We hopen in onze volgende afleveringen op de andere grote figuren van dit artikel terug te komen, echter niet op Mohammed, want dat zou onze huidige mogelijkheden te boven gaan.