Ibn Gabirol - Avicebron

‘Dit is mijn raad aangaande de toestand van uw ziel. Volgens mij zoudt U alles wat het U moeilijk maakt God lief te hebben, moeten beschouwen als een bijzondere gunst, zelfs als anderen, broeders inbegrepen, er verantwoordelijk voor zijn of zelfs indien zij zo ver gaan fysiek geweld tegen U te gebruiken.
U moet dit beschouwen als hoe en wat U wilt zijn, en U kunt dit als een bevel van God of van mijzelf beschouwen.

 Ik ben ervan overtuigd dat dit de ware gehoorzaamheid is. U moet hen die U zo behandelen, liefhebben en niets anders van hen verlangen, behalve wat God toelaat U te overkomen. U kunt uw liefde voor hen tonen door te wensen dat zij betere christenen zouden zijn. En dit zou U meer voordeel moeten brengen dan de eenzaamheid van de kluizenaar.’


Brief van een zielenherder                                   

Franciscus van Assisi

leder tijdperk heeft zijn eigen geheime bronnen van vernieuwing en zijn uitzonderlijke mannen en vrouwen die het essentiële in het leven kunnen onderscheiden.
Zoals Plato in de mythe van Er liet verstaan, zijn de meeste mensen in hun bewustzijn verward wanneer de waarden van een cultuur onduidelijk zijn; zij handelen dan onder dwang of uit verveling.

In een cultuur die haar waarden strak formuleert, worden velen blinde conformisten. Maar zowel in toestanden van stagnatie als van chaos doordringen de krachten van de ideatie (d.i.: hoger-manasische krachten, vert.) het gebied van denken en handelen; zij beïnvloeden velen zonder dat deze er zich bewust van zijn en verschaffen de grondslag waarop enkele weinige uitverkorenen kunnen bouwen en zelfbewust een voorbeeld en een bron van inspiratie worden voor latere tijden.

De twaalfde en de dertiende eeuw lijken voor latere generaties vanuit één standpunt afgestompt en doods indien niet echt dood, en vanuit een ander langdradig en vervelend om reden van de talloze politieke en religieuze intriges.


De hoven van zuidelijk Frankrijk en noordelijk Spanje koesterden de traditie van de troubadours en de ridderlijke liefde. Relaties tussen mannen en vrouwen werden uit hun context van huwelijkscontracten verheven en nieuw geformuleerd in termen van de zoektocht naar idealen.

Een vreemd mengsel van vroomheid en veroveringszucht kwam te voorschijn in de Kruistochten, waarin edelen van heel Europa naar overzeese gebieden voeren om het Heilig Land uit heidense handen te verlossen.
Soms moest het onkritische aanvaarden van de kerkelijke autoriteit de baan ruimen voor radicale religieuze hervormingen, dramatisch belichaamd in de beweging van katharen en albigenzen. De oude landadel werd ook geconfronteerd met de opkomende klasse van handeldrijvende burgers, die haar eigen waarden en manieren van doen had.

Binnen de politieke en economische gisting van het tijdperk rees een  spiritueel bewustzijn op waardoor grote aantallen van individuen de wereld gingen verlaten om zich ascetisch terug te trekken in onbevolkte valleien en op verafgelegen heuvels. De middeleeuwse wereld was aan 't veranderen en hield beloften in voor mensen die in verandering hun element vinden.

Pietro di Bernardone, een rijke handelaar uit Assisi, reisde vaak naar de Champagne om er de grote ‘handelsbeurzen’ te bezoeken. Tijdens een van die reizen, in 1181, baarde zijn vrouw, Pica, een zoontje dat zij Giovanni liet dopen. Zodra Pietro echter terug thuiskwam, veranderde hij de naam van het kind in Francesco, genoemd naar Frankrijk, het land waarvan hij de cultuur zo zeer bewonderde. Over de familie van Franciscus weet men weinig : zijn moeder was vroom en orthodox, zijn vader was niet erg geliefd. Hij was een koppig man en daagde de mentaliteit van het hertogdom Spoleto voortdurend uit door zijn enthousiasme voor alles wat Frans was.

De voorname burgers van Assisi waren gegrepen tussen de pauselijke pogingen het kerkelijk gebied uit te breiden en de aanspraken van het Heilige Roomse Rijk (het Germaans-Latijnse keizerrijk dat Karel de Grote opvolgde).
Zij vonden Pietro's minachting voor de gegevens van de geldende politiek vervelend en zelfs gevaarlijk. De ideeën van de albigenzen waren samen met de handel in Italië binnengedrongen en Pietro stond onder de invloed van de 'katharoi', 'de zuiveren'.

Nog voor de geboorte van Franciscus hadden keizerlijke legers Umbrië bezet en zoals vele van haar zustersteden had Assisi de Duitse meesters aanvaard. In de vrede die daaruit voortkwam kon de handel zich ontwikkelen en voorspoed verzekeren, zodat Franciscus opgroeide in een leven van rustige weelde. Zijn opvoeding was bescheiden maar flink, berekend op een latere leidende rol in de zaken van de familie.

In 1197 overleed keizer Hendrik VI en de gebieden van de Hohen- staufen losten zich op in hun samenstellende delen. Drie maanden  later stierf ook paus Celestinus en in het begin van 1198 werd Lotharius van Segni tot priester gewijd, tot bisschop benoemd en gekroond als paus Innocentius III. Binnen enkele maanden greep Innocentius het initiatief en begon een triomftocht door de oude pauselijke landen, zodat stad na stad zich van de keizerlijke overweldigers losscheurde en zich aan de paus onderwierp.

Toen de paus ook op het hertogdom Spoleto aanspraak maakte, bood Assisi geen weerstand. De burgers zagen echter niet in waarom ze de ene tiran zouden vervangen door de andere, en zij begonnen op de heuvel buiten de stad de koninklijke vesting af te breken. Hoewel ze de pauselijke autoriteit erkenden, verkozen ze consuls en begonnen zich te gedragen alsof hun gebied half onafhankelijk was. In het bijzonder waren het de jonge mannen van Assisi die in deze nieuwe situatie veel genoegen vonden.

Franciscus werd vaak uitgeroepen tot ‘koning van de feestvierders’ en hij leidde de jeugd op luidruchtige tochten door de stad. Waar de nodige erfelijke adel hem ontbrak, compenseerde hij dit door zijn vermogen te betalen. Terwijl heel wat edelen hun machtsverlies aanvaardden en zelfs in de stad gingen wonen om hun rol van burger te spelen, boden sommigen van de meer machtige heren weerstand aan deze veranderingen en zij riepen daarbij de hulp in van het nabije Perugia. Toen de burgers van Assisi het kasteel van Sassarosso hadden vernield, vluchtten zijn adellijke bezitters naar Perugia en deze stad eiste schadeloosstelling voor de verliezen van haar nieuwe burgers.

 

In de herfst van 1202 marcheerde het leger van Assisi op tegen Perugia. Dank zij de rijkdom van zijn vader kon Franciscus dienst nemen in de cavalerie en hij reed opgewonden en met een gevoel van lotsbestemming uit naar de verhoopte zege. Het leger nam stellingen in te Collestrada aan de Tiber om daar de Perugiaanse strijdmacht op te wachten.
De veldslag die daarop volgde was voor Assisi een ramp. Vele infanteristen werden gedood en Franciscus werd met sommigen van zijn medesoldaten gevangen genomen. Hij bleef een jaar lang  krijgsgevangene van Perugia maar spreidde in de kerker zo'n constant goed humeur tentoon dat zelfs de meest gedeprimeerde gevangenen erdoor werden opgebeurd.

 

Toen hij werd vrijgelaten en naar huis terugkeerde stelde hij vast dat de groep van de gematigden er niet in was geslaagd een redelijke vrede met Perugia te verkrijgen. De extremistische elementen drongen aan op een agressieve voortzetting van de oorlog en hadden zelfs een kathaar tot 'podesta' uitgeroepen; dit is een tijdelijke dictator die enkele maanden lang het bewind zou voeren.
De kerk reageerde door de zijde van Perugia te kiezen en een aantal burgers, onder wie schijnbaar ook Pietro di Bernardone, werden verplicht tot bijzondere verklaringen van orthodoxie. De oorlog was voorbij.

 

Franciscus voelde in zich een diepe hunkering naar het vervullen van een lotsbestemming, maar hij was niet gezegend met de directe intuïtie van wat die lotsbestemming moest zijn. Zijn vader had hem de liederen van de troubadours geleerd in de 'langue d'oc', het oude Frans van het zuiden. De ridderlijke en vergeestelijkte liefde van de troubadours en de populaire legenden van de Ronde tafel van koning Arthur vloeiden samen in een romantische opvatting van de kruistochten en de rijken overzee.

Hoewel de details onbekend zijn is het duidelijk dat Franciscus een diep verlangen voelde om ridder te worden, want in die archetypische figuur vond hij de krijger en de aan het goddelijke toegewijde verenigd.

 In Apulië streed Walter van Brienne voor de restauratie van de wettelijke orde, en Franciscus besloot hem daarin in het zuiden te volgen. Zijn vader voorzag hem van een prachtige ridderkledij en zond hem op weg naar roem en glorie. Net voordat hij vertrok, had hij een droom :

 

Terwijl Franciscus sliep verscheen een man die hem bij zijn naam riep en hem rondleidde in een ruim en mooi paleis, waarvan de muren vol hingen met schitterende maliënkolders, glanzende gespen en al de wapens en harnassen van krijgers. Franciscus was overgelukkig en, nadenkend over de mogelijke betekenis van dit gebeuren, vroeg hij voor wie die heerlijke wapens en dat prachtig paleis waren bedoeld; en hij kreeg als antwoord dat zij voor hem en zijn ridders waren.

Deze schijnbare bevestiging van zijn verlangens sterkte hem in zijn vreugde en welgezind reed hij Assisi uit naar het zuiden.

Nauwelijks had Franciscus het naburige Spoleto bereikt of hij werd ziek. Terwijl hij zich in een toestand van bedwelming bevond hoorde hij een stem die hem vroeg:

 

‘Wat is beter, de meester te dienen of de dienaren ?’

Franciscus antwoordde dat het beter zou zijn de meester te dienen. ‘Waarom,’ ging de stem verder, ‘zoek je dan eerder de dienaren op dan de meester?’ Franciscus was verbaasd, maar vermoedde wel iets van de mogelijke betekenis en vroeg: ‘Wat wilt ge dan dat ik doe, Heer ?’ De stem antwoordde: ‘Ga terug naar je geboorteplaats en wees voorbereid op wat je daar zal worden bevolen.’

Hoewel deze instructie zeer verschillend was van het vage idee waarmee Franciscus zich had   beziggehouden, keerde hij terstond zijn  ridderlijke queeste de rug toe en begaf zich naar Assisi.


Aan de ene kant had hij iets van opperste belang in zichzelf ontdekt, en aan de andere kant had hij zichzelf helemaal verloren. Terug in Assisi bleef hij zoals steeds gastvrij en goed gehumeurd, maar de nieuwe stromingen groeven diepe beddingen in hem.

Hij wilde anderen niet met zijn innerlijke twijfels belasten, trok zich periodiek terug in overpeinzing en maakte trancetoestanden mee.

Tot grote ontsteltenis van zijn vader kocht Franciscus dure versierselen voor de kerk van Assisi, ondernam een pelgrimstocht naar Rome, en begon raad te vragen aan de nieuwe bisschop van Assisi, de eerzuchtige en wereldlijke Guido.


Franciscus was naar zijn ware taak aan 't tasten en hoewel zijn activiteiten de mensen van zijn stad soms als belachelijk voorkwamen en zijn vader meer en meer irriteerden waren zij voor die tijd toch nog tamelijk conventioneel.

Het keerpunt kwam niettemin door een eenvoudig feit. Tegen het einde van zijn leven dicteerde hij zijn testament. Hij begon zo:

 

Dit is hoe God mij, broeder Franciscus, de inspiratie gaf  mij in een leven van boetedoening te begeven.

 

Toen ik nog zondig was, maakte het zien van melaatsen mij buitengewoon misselijk; maar God zelf bracht mij in hun gezelschap, en ik had medelijden met hen. Eens dat ik met hen bekend was geraakt, werd de bron van mijn vroegere misselijkheid er een van geestelijke en lichamelijke troost. Ik heb dan niet lang meer gewacht om de wereld te verlaten.


Franciscus legde intuïtief een verband tussen zijn levenswijze, die in een wereld van algemene smart en lijden onverantwoordelijk was, en zijn afkeer voor het lijden van anderen. De afschuw die hij voelde wanneer hij naar het fysieke verval in de wereld keek, was slechts de weerkaatsing van het morele verval en de spirituele stagnatie in hemzelf. Zodra de schakel werd gezien, was er geen ontsnappen meer aan de gevolgen en zeker niet door een of ander aspect van de wereld uit de weg te gaan.

Franciscus begon ermee, eerst nog angstig, de lepralijders te bezoeken en te verzorgen; hij bracht hun voedsel, kleding, een goed humeur en een vriendelijk woord. De logica van zijn inzicht bracht hem op den duur tot een leven van zelfverloochening, maar de wijsheid kwam niet ineens.

Op zoek naar meer middelen begon hij zich te verschuilen in de spelonken van de heuvels rond Assisi, ‘om naar verborgen schatten te zoeken’, vertelde hij aan zijn nieuwsgierige vrienden. Op een dag kwam hij voorbij de vervallen kerk van San Damiano, net ten zuiden van de stad. Een innerlijke stem beval hem daar binnen te gaan en te bidden. Weldra hoorde hij een stem zeggen: ‘Francesco, zie je niet dat mijn huis een ruïne is geworden ? Ga en herstel het voor me.’ Hij nam dit letterlijk, terwijl het waarschijnlijk een symbool van zijn later groot werk was, en veronderstelde dat hij zich met de restauratie van die bepaalde kerk moest gaan bezighouden.

Bij de eerste gelegenheid nam hij een grote som geld uit het vaderlijk huis mee en ging in de kerk wonen. Zijn vader zond er een groep mannen op uit om hem te vatten, maar hij verborg zich een maand lang in een grot. Dat was te veel voor zijn vader en zodra Franciscus weer onder het publiek verscheen, liet hij hem oppakken en sloot hij hem op in een donkere kelder. Dit was het ergste schandaal dat de stadsbevolking ooit had meegemaakt.

Pietro stond erop dat Franciscus het familiefortuin niet mocht uitgeven aan reparaties van kerken. Franciscus hield echter staande dat hij precies dat zou doen. Wat later moest Pietro toch weg op zakenreis en tijdens zijn afwezigheid bevrijdde Pica haar zoon, die onmiddellijk terugkeerde naar San Damiano.

Zodra Pietro terug thuis was eiste hij in het openbaar dat zijn zoon naar de ouderlijke woning zou komen, maar Franciscus weigerde. Bij de plaatselijke wetten was misbruik van het ouderlijk bezit strafbaar door verbanning. Pietro klaagde zijn zoon aan en eiste dat hij berecht zou worden, maar toen de rechter hem de dagvaarding liet toekomen verwierp Franciscus deze, bewerend dat hij aan de kerk verbonden was en onder de rechtspraak van de bisschop viel.

Zonder toestemming van de bisschop kon de openbare macht Franciscus niet raken en daarom daagde zijn vader hem voor een kerkelijk gerecht. Nu verscheen Franciscus heel gedwee, aanhoorde de beschuldigingen van zijn vader en verklaarde dat hij zich bij het oordeel van de bisschop zou neerleggen.

Guido, die met geen enkele familie ruzie wilde, koos een middenweg: hij verklaarde dat Franciscus het familiebezit moest teruggeven en dat de nodige middelen voor de restauratie van de kerk door God ter beschikking zouden worden gesteld. Franciscus kleedde zich onmiddellijk helemaal uit, vouwde zijn kleren op en plaatste het geld bovenop het bundeltje. De verraste bisschop wierp hem zijn mantel om en deed hem vlug verdwijnen in het bisschoppelijk paleis.

Nu was Franciscus geheel alleen. Behalve voor wat vaderlijke raad en een oude monnikenpij voelde de bisschop zich niet aan de onstuimige jonge man verplicht. Eerst behandelde de stad Franciscus als een publieke grap.
Franciscus zag echter weldra duidelijk in hoe de kerk moest worden gerestaureerd: hij moest het zelf doen.

 Met oude bouwmaterialen begon hij San Damiano te herstellen. Toen zijn materialen opgebruikt waren, ging hij in de stad om andere bedelen. Zoals de discipelen van de Boeddha en in tegenstelling tot de kloostertradities van Europa, bedelde hij ook om zijn voedsel. Toen de mensen zagen dat hij zelf werkte kregen ze sympathie voor hem, gaven hem materiaal en begonnen hem in het kerkje op te zoeken om een handje toe te steken. Zodra San Damiano gereed was, verhuisde hij naar de vervallen kapel van San Pietro della Spina en daarna begon hij aan het beroemdste van zijn werken, de antieke kerk Porziuncula.

Toen die ook gereed was, in februari 1208, kwam een priester van de plaatselijke benedictijner abdij er de eucharistie vieren. Zijn tekst was de lering van Jezus: ga uit in de wereld, zonder geld of bezit, en predik boetedoening. Plots riep Franciscus uit: ‘Dit is wat ik met heel mijn hart verlang!’ Hij legde zijn metselaarsplunje terzijde en trok de pij van de kluizenaar aan.

Franciscus was zachtmoedig en nederig. In het middeleeuwse denken was de boeteling iemand die zichzelf opofferde en aan de wereld verzaakte, niet alleen om zijn eigen ziel, maar ook als voorbeeld en positieve kracht voor de mensheid als geheel. De boeteling had invloed op heel de gemeenschap en werd aanvaard als element van de middeleeuwse samenleving.

Verschillend van de zwervende heremieten van zijn tijd sprak Franciscus geen zure en striemende sermoenen uit. Glimlachend en vriendelijk ging hij de mensen tegemoet en herinnerde hen eraan dat de wereld mooi is en de aarde goed. Hij genoot zodanig van het meeleven met de natuur dat de mensen geloofden dat hij de taal van de dieren verstond, en meer bepaald die van de vogels. Voor hem was ieder wezen in de natuur deel van een sacrament. Iedere bloem, elk dier of zelfs mineraal legde getuigenis af van de goedheid en transcendente glorie van het goddelijke.

Weldra begonnen sommigen meer van hun tijd bij hem door te brengen en het duurde niet lang of er rees uit deze banden een soort informele ‘orde’ op. Het idee van een orde van boetelingen kreeg vorm toen Bernardus, een rijke inwijkeling van Assisi, ernstig met Franciscus kwam praten over de mogelijkheid zijn discipel te worden. Na een lange discussie gingen beiden naar een priester en vroegen hem zijn gebedenboek driemaal op goed geluk open te slaan, om te zien wat het goddelijke zou aanduiden. De drie passages waren opmerkelijk:

Als je volmaakt wilt zijn, ga dan, verkoop alles wat je hebt, en geef de opbrengst aan de armen, en je zult schatten hebben in de hemel; en kom, volg mij.

Neem niets mee wanneer je op reis gaat, noch stok, noch brood, noch geld.

Indien een mens, welke dan ook, na mij wil komen, laat hem dan zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en mij volgen.
‘Dit is ons leven,’ zei Franciscus, ‘dit is onze regel, en wie zich bij ons wil vervoegen zal dit moeten doen.’
Zo kwamen de basiselementen van de orde der Franciscaners tot stand. Zij verbonden zich tot armoede, reizen en boetedoening.

Binnen twee weken voegden Petrus en Gilles zich bij Franciscus en Bernardus. Tot grote verbazing van heel Assisi gaven de vier alles weg wat Bernardus bezat. Franciscus noemde zijn groep de Ronde Tafel en het lijdt geen twijfel dat hij die beschouwde als een stel ridders volgens een traditie verwant aan die van koning Arthur.

Later kwamen er mensen van nederige afkomst bij en op den duur de fleur van Assisi's edelgeboren jeugd.
Franciscus schreef een ‘Eerste regel’, die verloren is gegaan, en niettegenstaande de verscheidenheid van hun achtergrond voerden deze heremieten een democratisch bewind over henzelf. In 1209 vertrokken zij naar Rome om pauselijke erkenning te vragen.

Nauwelijks waren zij in de eeuwige stad aangekomen, of Franciscus slaagde er al in de paus in een gang van het Lateraan te ontmoeten.

Franciscus sputterde zijn smeekbede uit met ontzag en verwarring  en de ontstelde Innocentius III gaf hem het bevel in een varkensstal te gaan wonen. Franciscus gehoorzaamde letterlijk.

Bisschop Guido, die voor zaken in Rome was, vernam iets over de vreemde gebeurtenissen en overtuigde de groep broeders zich te wassen en met kardinaal Giovanni van San Paolo te gaan praten.


Na verscheidene gespreksdagen besloot de kardinaal dat Franciscus en zijn groep geen enkele neiging tot ketterij vertoonden en zorgde voor een officiële audiëntie bij de paus.
Diens vertrouwelingen zagen met verbazing dat de paus Franciscus sympathiek vond, opgetogen was over de letterlijke gehoorzaamheid en het wonen in een varkensstal, en keurde de regel van de orde goed op voorwaarde dat de broeders boetedoening zouden prediken en geen theologie.

Terug in Assisi begon de orde bescheiden te floreren. Eigenlijk was zij meer een gezelschap van kameraden dan een orde. Volgens de opvattingen van Franciscus moest de orde streng eenvoudig worden gehouden: arm, geldschuwend, bedelaars, zwervers, predikers van boetedoening, kuis en, boven alles, broederlijk in de geest. Maar hij geloofde niet in excessen.

Hij stond zelfkastijding toe, maar drong aan op lankmoedigheid jegens anderen. De orde bestond niet voor onderlinge beschuldiging maar voor gezamenlijke steun. De levenswijze van de eerste franciscanen was hard genoeg om de meesten te ontmoedigen, maar het simpele goede humeur en de vrolijkheid van de broeders waren aantrekkelijk.

In 1211 vroeg Clara, een jonge edelvrouw die haar jeugd te Perugia in verbanning had doorgebracht, om een onderhoud met Franciscus.


Dankzij de hulp van verscheidene broeders die hadden gezworen het stilzwijgen te bewaren, konden zij elkaar herhaaldelijk in het geheim ontmoeten. Hun temperament was gevoelig en zij werden verliefd op elkaar. Door voorzichtige maatregelen kon Clara op een nacht uit haar woning wegsluipen en de franciscanen ontmoeten.
Haar hoofd werd geschoren en zij werd naar het klooster van San Paolo gebracht.

Toen haar familie haar probeerde terug te halen, weigerde zij het klooster te verlaten. Zij weigerde ook de klederdracht van de  benedictijnen want, zei ze, ze had gezworen de regel van Franciscus te volgen. Assisi vond het een schandaal, hoewel niemand ook maar een zweem van onbetamelijkheid kon ontdekken. Nog erger, enkele dagen later liep Agnes, Clara's zuster, ook weg om zich bij haar te voegen.

Op dit moment was Bisschop Guido voldoende geërgerd, en door deze onverwachte activiteiten in moeilijkheid gebracht, om in te grijpen.

Hij bood Clara de kerk van San Damiano aan, het eerste gebouw dat Franciscus had hersteld, en liet haar daar huisvesten, op twee mijl van de mannelijke orde.

Weldra kregen Clara en Agnes het gezelschap van Beatrice, de derde dochter, en van Pacifica, een bloedverwante. Uiteindelijk kwam haar moeder Ortolana ook nog, en Franciscus stelde Clara aan als eerste abdis van de arme clarissen. Daar hij wel wist wat voor geruchten de ronde deden over mannen en vrouwen die tot dezelfde gemeenschap waren toegelaten, hield Franciscus de geslachten zorgvuldig gescheiden.

Hoewel nog tijdens zijn leven de franciscanen de regel voldoende wijzigden om Franciscus te laten concluderen dat de oorspronkelijke impuls uit zijn beweging was verdwenen, is de orde steeds om haar voorzichtigheid geëerd geweest.

 

De geest van de kruistochten was in Europa nog niet dood. Franciscus had er kennis mee gemaakt hoe hij als jonge man Walter van Brienne wilde vergezellen naar Apulië.
Nu kreeg hij een sterke aandrang om tot de Saracenen te prediken, de moslims die stilaan het Heilig Land heroverden. Toen Jan van Brienne, Walters broer, de jonge Maria van Jeruzalem huwde en naar Acre vertrok, droomde Franciscus ervan zich bij hem te vervoegen.

Maar een verkeerde timing en slecht weer wierpen hem op de kust van Slavonië (deel van het huidige Kroatië, vert.) en hij moest naar Italië terugkeren.

Onversaagd trok hij nu met verscheidene broeders op pelgrimstocht naar Santiago de Compostela in Spanje.
Hoewel hij zijn metgezellen niets verried over zijn uiteindelijke bedoelingen, menen de meeste historici dat hij van plan was daar de Moren te confronteren.

Zelfs in de beste omstandigheden zou de reis uitputtend zijn geweest, en eenmaal in Santiago gearriveerd werd hij ziek. De ziekte bleef duren en de reis naar huis was lang. Franciscus was wel ontgoocheld, maar niet ontmoedigd.

Innocentius III riep in 1215 het grote Oecumenische Concilie bijeen, waar hij naast belangrijke kerkelijke hervormingen ook een nieuwe kruistocht in 1217 in het vooruitzicht stelde. Hoewel hij nog aarzelde om mee te gaan, aanvaardde Franciscus van kardinaal Ugolino brieven van vrijgeleide. Deze Ugolino zou later als Paus Gregorius IX Franciscus twee jaar na zijn dood heilig verklaren. In 1219 vertrok Franciscus naar het Oosten.
Toen hij in Acre was gearriveerd wachtte hem daar een  verbazingwekkende ontdekking: vele moslims hadden een hogere beschaving en waren door hun deugden meer christelijk dan de geharde en bonte verzameling van de benden kruisvaarders.
In overeenkomst met de raad van Jan van Brienne zou men niet overhaast te werk gaan om Jeruzalem in te nemen. In plaats daarvan werd eerst de stad Damietta in Egypte aangevallen en de buitenvesting ingenomen.

In het midden van de strijd en nog voor Damietta was gevallen, ging Franciscus naar het kamp van sultan Melek al-Kamil. Deze hield van filosofische discussies en nodigde Franciscus uit eraan deel te nemen.

Om dit te doen moest Franciscus echter over een tapijt van kruisen lopen, dat de sultan aanwendde om bekeerlingen te onderscheiden van spionnen. Al-Kamil was verwonderd Franciscus zonder aarzeling over het tapijt te zien lopen, maar Franciscus verklaarde hem dat Jezus samen met dieven was gekruisigd: het ware kruis staat in het bewustzijn; het kruis van de misdadigers ligt op de grond. Franciscus en al-Kamil vonden elkaar onmiddellijk sympathiek.

Franciscus liet omtrent de kracht en de oprechtheid van zijn geloof geen twijfel bestaan. Hij bood aan de vuurproef te ondergaan, de 'ordalia'. Eerst stelde hij voor dat hij samen met een moslimtheoloog door het vuur zou stappen. Wie er onverschroeid zou uitkomen zou het ware geloof belijden. Toen de sultan hem verklaarde dat de wet  van de Koran het niet toestond op zulke uitdagingen in te gaan, bood Franciscus aan alleen door het vuur te lopen. Maar ook nu gaf de Sultan niet toe. Hij bood Franciscus geschenken aan en gaf hem een vrijgeleide om veilig naar het christelijke kamp terug te keren. Toen de Tweede regel werd gepubliceerd, bepaalde Franciscus twee manieren waarop zendelingen getuigenis van hun geloof mochten afleggen.

Terwijl hij het martelaarschap erkende, dat in de middeleeuwen bij uitstek de methode was, verklaarde hij het verkieslijk onder de ongelovigen te leven als voorbeeld van een christelijk bestaan.

Wanneer men de boetedoening predikt, probeert men de mensen te overtuigen dat zij moeten toepassen wat zij op een of ander niveau reeds geloven: men overbrugt de afstand tussen theorie en praktijk. Als men nu tegenover mensen staat die even oprecht een verschillende geloofsvorm aanhangen, zal alleen het voorbeeld overtuigend zijn.

Zijn verblijf in de overzeese gebieden werd verstoord door berichten betreffende moeilijkheden in de orde in Umbrië. Hij spoedde zich huiswaarts en stelde vast dat nieuwe statuten waren afgekondigd en dat grote verwarring onder de broeders heerste.
Nadat hij deze kwesties had bestudeerd en twisten had bijgelegd, besloot hij als hoofd van de orde ontslag te nemen.

Franciscus ging zich bij Gilles en Bernardus als kluizenaar vervoegen. In 1224, tijdens een vasten van veertig dagen,  kreeg hij de 'stigmata', de eerste die sinds de kruisiging die wonden vertoonde. Zij waren zo hevig dat hij naar de Porziuncula moest worden teruggedragen. Hij werd snel blind. En toch, terwijl hij leed in lichaam en hart, schreef hij nog de mooie 'Zang aan broeder Zon'.

In 1226, toen hij inzag dat zijn sterven nabij was, voegde hij er de slotrede aan toe, de Groet aan Zuster Dood, en Clara mocht hem verzorgen. Nu was hij totaal krachteloos, maar zijn leven had duizenden geïnspireerd. De vreemde kleine man uit Assisi werd het onderwerp van een ontzaglijk eerbetoon.

Toen hij op 3 oktober 1226 stierf werd zijn lichaam naar het centrum van Assisi gedragen en daar begraven.

Hoewel hij vond dat hij had gefaald omdat hij zijn orde niet aan zijn oorspronkelijke idealen had kunnen houden, triomfeerde hij op de manier die hij als het hoogste getuigenis beschouwde, namelijk als voorbeeld. Hij heeft weinig geschreven, maar heel het belang van dat getuigenis is gekristalliseerd in een kort gedicht:


Heer, maak mij een instrument van uw Vrede.

Waar haat heerst, laat mij liefde zaaien,

Waar belediging, vergiffenis,

Waar twijfel, geloof.

Waar wanhoop, hoop.

Waar duisternis, licht, en
waar treurnis, vreugde.

O goddelijke Maker, sta toe dat ik niet zozeer zal zoeken Getroost te worden, als te troosten.

Begrepen te worden, als te begrijpen,

Bemind te worden, als te beminnen,

Want het is door te geven dat wij ontvangen;

Het is door te vergeven dat wij vergeven worden;

Het is door te sterven aan het zelf

dat wij geboren worden in het eeuwig leven.

Dit artikel is vertaald uit ‘Hermes’ van juni 1982, Jaargang VIII, nummer 6, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, USA.