Wegens Corona gaan onze voordrachten online door. Meer info onder "Activiteiten".

Archetypische Kennis

[Dit artikel is een vertaling van het vijfde hoofdstuk van het boek Studies in The Secret Doctrine (Book I) van B.P. Wadia (The Theosophy Company, Bombay, 1961, herdruk in 1976.) Deze Studies zijn oorspronkelijk verschenen als een 25-delige reeks in het tijdschrift The Theosophical Movement.]

 

In de voorgaande studies hebben we getracht zekere welomlijnde ideeën aan te reiken: ten eerste dat absolute kennis een conditie of toestand is die werkelijk bestaat en die de wereld van de noumena wordt genoemd, in tegenstelling tot de relatieve kennis, die de wereld van verschijnselen is.

Daarom bestaat absolute kennis overal, als de verborgen ziel van elk verschijnsel.

Vervolgens hebben we getracht het drievoudige aspect van deze absolute kennis of wereld van de noumena aan te tonen. De wereld in het denkvermogen van de Godheid; Maya door Ishvara tot stand gebracht door middel van Shakti; de Zoon door de Vader verwekt in de oorspronkelijke baarmoeder van Moeder wijsheid; er werden nog andere uitdrukkingen gebruikt en er werd een poging ondernomen om het drievoudige aspect van absolute kennis duidelijk te maken.

 

Laten we, om dit drievoudige aspect iets preciezer en een beetje vollediger te begrijpen, verwijzen naar de drievoudige relatie van Sophia, als dochter, vrouw en moeder

  1. “het ene instrument waarmee de Logos [de godheid] werkt.”

  2. Sophia is de dochter van Adam en, net als Eva, gevormd uit zijn rib; daarmee niet tevreden, wordt zij zijn vrouw en de moeder van zijn nageslacht. Sophia is de dochter van de ene kenner, Ishvara; als zijn gemalin is zij de Shakti-kracht, Daiviprakriti, het licht van kennis; de kenner en de kennis verwekken het woord opdat het gekend zou worden. Zo zijn kenner, kennis en gekende; de leraar, lering en het geleerde drie in één. In de brahmaanse traditie wordt ons verteld dat Gayatri de moeder van de Veda’s is, en in de Gita zegt Sri Krishna dat hij de pranava (het heilige woord, Aum) in alle Veda’s is. De enkelvoudige lettergreep Aum wordt het metrum Gayatri en haar nageslacht zijn de vier Evangeliën, die in de brahmaanse traditie de Veda’s worden genoemd. In de Avesta is de Ahuna-vairya, het eenentwintig woordengebed, hetzelfde als de Gayatri, dat wat Zarathustra, de profeet, gebruikt om Ahriman of Angra-mainyu ten val te brengen en er wordt gezegd dat dit het woord is dat door Mazda werd verkondigd.

  3. In de derde plaats spraken we in onze vorige studie over de twee werelden van de noumena en de archetypen en zinspeelden op de begrijpelijke conclusie die hieruit kan worden getrokken, namelijk dat er twee vormen van absolute kennis bestaan: noumenaal en archetypisch.

Met andere woorden, absolute kennis heeft een tweeledig aspect. Precies zoals er in de noumenale wereld in het denkvermogen van de Godheid ideeën bestaan die in een later stadium van het manifestatieproces worden omgevormd tot de model-archetypische wereld, zo wordt ook Sophia, die altijd overal bestaat, getransformeerd tot Theosofie, of wijsheidsreligie, of gnosis. In zijn aspect van noumenale kennis is het altijd overal aanwezig; het bestaat in elk punt van de ruimte en in elk moment van de tijd; in de ziel van elk lichaam, de energie van elke kracht, het leven van elke vorm. De manifestatie ervan als een synthetisch systeem van leren is een incarnatie van noumenale kennis die archetypische kennis kan worden genoemd; en deze laatste is Theosofie – de wijsheidsreligie, gnosis.

 

In zijn Eerste brief aan de Korintiërs maakt Paulus een onderscheid tussen “geleerde woorden van menselijke wijsheid” en de “wijsheid onder de volmaakten” en deze laatste wordt genoemd “geheimnisvolle, verborgen wijsheid, die God vóór de tijden heeft voorbestemd.”3

Hier wordt het verschil aangeduid tussen absolute en relatieve kennis.

 

In de vroegchristelijke kerk werd er veel getwist over het mannelijke en het vrouwelijke aspect van wijsheid. Sophia en gnosis zijn een paar en zij worden soms verward met synoniemen, door anderen met antoniemen. Aanhangers van de rivaliserende sekten van de vrouwelijke Logos (Sophia) en van de mannelijke Logos (Christos) ruzieden net zoals hun broeders in India, die kibbelden over de superieure aard van de mannelijke Shiva en de vrouwelijke Shakti. Zo zegt de Hebreeuwse Sophia in Spreuken (9:4-5) tot “wie onervaren is”: “Kom, eet mijn brood en drink de wijn die ik gemaakt heb”4 die in het Nieuwe Testament de gaven van Christus aan zijn apostel-discipelen zijn geworden.

 

H.P.B. karakteriseert Sophia als “universeel denkvermogen” en “wijsheid”5, terwijl gnosis “spirituele en heilige kennis is, de gupta vidya van de hindoes.”6 Zo hebben we “de geleerde woorden” of relatieve kennis; Sophia of noumenale kennis, en gnosis of archetypische kennis.

 

In het brahmaans esoterisme worden vier uitdrukkingen gebruikt: avidya, apara vidya, para vidya en gupta vidya. Hun vertaalde equivalenten zijn: onwetendheid, lagere kennis, hogere kennis en verborgen kennis. Er wordt over een reeks andere vidya’s of takken van kennis gesproken, maar allemaal kunnen ze onder deze vier hoofdtitels worden ingedeeld. Avidya is voor bestudeerders van de Indiase filosofie een struikelblok. Avidya is kennis van het niet-bestaande niet-zelf en wordt, als een synoniem voor Maya, veeleer begrepen als “agnosticisme en onwetendheid dan als een niets-weten.”7

Een agnosticus is dus geen domkop, maar zijn kennis is geen gnosis en daarom illusoir.

De dood is het verlies van de kennis van onze eenheid met het universeel bewustzijn en wordt veroorzaakt door avidya– kennis van het niet-bestaande niet-zelf. Alle materialisten zijn in die zin dood, zoals H.P.B. naar voren brengt. Ze kunnen worden omschreven als degenen die hun spirituele eenheid van zelf-bewustzijn in talrijke niet zelf-bewuste eenheden uiteen hebben laten vallen. Terwijl ze het bestaan van de ziel ontkennen, verdedigen ze het bestaan van gedifferentieerde materiële organismen als het Zelf. De Isavasyopanishad 8 spreekt over het overwinnen van de dood door avidya, op voorwaarde dat er tegelijkertijd ook gebruik wordt gemaakt van vidya en daarmee bevestigt zij een van de zeer mysterieuze leringen van De Geheime Leer en De Stem van de Stilte, namelijk de samenhang van de geestelijke mens met de fysieke mens bij het bewandelen van het pad, dat in het tweede fragment van het laatstgenoemde werk wordt aanbevolen.

 

Laten we onze aandacht richten op het paar van para en apara vidya waarover de Mundakopanishad spreekt.9 Apara vidya of de lagere kennis omvat “de vier Veda’s, de wetenschappen van klankleer, ritualistiek, grammatica, filosofie, metriek en astrologie”. De hogere kennis is die “waardoor de onvergankelijke Akshara wordt gerealiseerd.” Akshara is de lettergreep Aum –de pranava- het heilige woord, “door er hun toevlucht in te nemen werden de Goden onsterflijk en onbevreesd.”10

 

Hieruit zal duidelijk worden dat para vidya, de hogere kennis, het noumenale aspect is van de absolute kennis waarover we hebben geschreven. De apara vidya, de lagere kennis, is de relatieve kennis. Dan rest dus nog gupta vidya –de geheime of esoterische kennis- dat is het archetypische aspect van absolute kennis of de wijsheidsreligie die we Theosofie noemen.

Zo kan worden ingezien dat Sophia en gnosis, para vidya en gupta vidya vaak verkeerd zijn begrepen. Ze zijn nauw verbonden en toch zijn ze verschillend, vandaar dat dezelfde namen en titels voor allebei onderling verwisselbaar zijn gebruikt. Met dit in het achterhoofd kan de student zijn onderzoek verderzetten.

 

Sophia, de moeder-wijsheid, heeft zeven zonen of een zevenvoudige weerspiegeling in manifestatie. Ze is “de moeder van de zeven planeetkrachten.”11 In de antieke en occulte astrologie is zij de moeder12 van Kanya, de maagd, van wie het kroost de zes krachten van de zes hiërarchieën zijn, “samengevat in hun oorsprong, de zevende, die het vijfde beginsel van de kosmische natuur of van de ‘moeder’ in mystieke zin verpersoonlijken.”13 De zes scholen van de Indiase filosofie (Shat darshanani) en de zes systemen van Indiase wetenschap (Shad-anganani) zijn de waarneembare manifestaties van absolute kennis. De zes zijn het nageslacht van de onzichtbare moeder.

De drievoudige manifestatie van elk van deze zes manifestaties van Sophia vormen het onderwerp van de achttien hoofdstukken van de Bhagavad-Gita: de grote oorlog op Kurukshetra duurde achttien dagen en de strijdende legers waren in achttien legerkorpsen ingedeeld; de beschrijving ervan in de Mahabharata neemt achttien parva’s of delen in beslag.

De kennis van het waarneembare universum met betrekking tot zijn oorsprong, evolutie en ontbinding is de lagere kennis (apara vidya); de realisatie van het Zelf als de ene en enige kenner is de hogere wijsheid (para vidya) – de weg van eerstgenoemde naar laatstgenoemde is de gupta vidya, het geheime pad.

D e Indiase Upanishaden behandelen de hogere kennis (para vidya) en van hen wordt gezegd dat zij “het overwinnen van onwetendheid door het openbaren van geheime geestelijke kennis” bereiken. Het moge echter duidelijk zijn dat gupta vidya, de geheime en heilige kennis van de geest, afwezig is in de bladzijden van de “waardevolle schatkamer” en ze “vereisen nu het bezit van een extra sleutel die de onderzoeker in staat stelt tot hun volledige betekenis door te dringen.”14De Geheime Leer voegt hieraan toe: “Ze BEVATTEN het begin en het einde van alle menselijke kennis, maar ze hebben sinds de tijd van Boeddha opgehouden die BEKEND TE MAKEN.”15

Hoewel de geheime en geestelijke kennis niet ‘bekendgemaakt’ is, heeft zij nooit opgehouden te bestaan.

 

Gupta vidya, de geheime kennis die naar para vidya leidt, is zoals de weg naar de Mount Everest. Laatstgenoemde brengt in al zijn schoonheid, grootsheid en waardigheid ontzag en eerbied in sterfelijke breinen teweeg en inspireert de weinige ernstige harten tot het gevaarlijke avontuur van het beklimmen van zijn steile hellingen, waarvan de nodige kennis verloren is gegaan. Zo waakt para vidya, de kennis van het Zelf, over alle kunsten, wetenschappen, filosofieën en religies; maar de hachelijke reis naar Zelf-realisatie wordt alleen volbracht door de moedige ziel die de vaste wil heeft het verborgen licht te zoeken en, door gezocht te hebben, de geheime kunst kent. Shiva, de patroonheilige van yogi’s en sannyasi’s, wordt verondersteld in stille tapas [meditatie] neer te zitten in gezelschap van zijn gemalin, Shakti-parvati, op de Berg Kailasa (hemel).

Kinderen der vergankelijkheid aanschouwen het beeld van het paar met eerbiedige vrees; want voor hen is Shiva de vernietiger en ze betuigen hem respect vanuit de grote afstand die hun aarde scheidt van zijn hoge hemel. De onsterfelijke zonen van yoga daarentegen, overtuigd van hun zielenkracht en vastbesloten het thuis te bereiken waar de ouders in eeuwige zaligheid verblijven, haasten zich en beklimmen de steile hellingen.

 

Zo zal worden beseft dat, net als absolute kennis, ook relatieve kennis tweevoudig is. Noumenale en archetypische kennis zijn de aspecten van eerstgenoemde; het waarneembare, dat de weerspiegeling is van het noumenale, en de welomschreven leerstelsels die vanuit het archetypische emaneren zijn het eerste aspect van relatieve kennis, terwijl avidya of agnosticisme het tweede is.

 

Misschien kan het sommigen helpen het probleem te benaderen vanuit onze menselijke samenstelling:

Noumenale kennis is Atma - Para vidya

Archetypische kennis is Buddhi - Gupta vidya

Leerstellige kennis is Manas - Apara vidya

Onwetendheid of niet-weten is het lagere viervoud - Avidya

 

Ook hier “is het denken de verdelger van het werkelijke.”16 Het is de val van apara vidya in de afgrond van afgescheidenheid, in plaats van trouw te blijven aan haar ouder-bron van absolute kennis.

 

Vier Veda’s en zes Vedanga’s (vertakkingen van de Veda’s) vormen het volmaakte getal tien, en zij stellen apara vidya, de lagere kennis, samen zoals aangetoond in het bovenstaande citaat uit de Mundakopanishad. Deze tien zijn de geordende openingen in het lichaam van Akshara – het onvergankelijke Aum; de substantie die dat lichaam samenstelt is manasisch of mahatisch. Het brahmaanse systeem verkondigt verder zes aanvullende takken van de Veda’s (shad-upangani) die als de zes zienswijzen (shat-darshanani) worden aangeduid, beter gekend als de zes scholen van de Indiase filosofie.

Apara vidya stelt zich met gupta vidya in verbinding via haar bijkomende, innerlijke vertakkingen. Haar zes oorspronkelijke takken (hierboven aangehaald) corresponderen met de vijf zintuigen, met het lager denkvermogen als het zesde, en die worden alle gericht op “dit”- de uiterlijke wereld. Haar zes bijkomende of innerlijke vertakkingen zijn de zes zienswijzen van het hoger denkvermogen –oost, west, zuid, noord, nadir, zenit in de richtingen van “Dat”- het onvergankelijke Akshara. De laatste van deze zes innerlijke takken is Vedanta – het einde van kennis. De wereldberoemde Upanishaden behoren tot deze innerlijke takken van de Veda’s.

 

Zo vormen deze zes scholen dus een brug tussen apara vidya (waarvan ze een deel zijn) en gupta vidya – tussen manas (waarvan manas taijasi een aspect is) en buddhi. Het kan van nut zijn deze zes innerlijke vertakkingen te vergelijken met “de geestelijke bloesem van manas” waarover wordt gesproken in De Geheime Leer en die, verenigd met buddhi, manas geestelijk maakt.17

 

Maar wat heeft dit alles van doen met onze benadering van Theosofie, zal de lezer wellicht vragen. Laat hem er nota van nemen dat de brahmaanse esoterische traditie, hoezeer verkort, vervormd en zelfs grotendeels verloederd, ons genoeg materiaal heeft nagelaten om universele feiten die aan de gehele antieke wereld bekend waren te begrijpen. De lering over de vier vidya’s had in de dagen van weleer overal de overhand en als we het brahmaanse aspect ervan hebben gebruikt, hebben we dat gedaan omdat De Geheime Leer dat heeft overgenomen18.

 

Theosofie is noch de Vedanta van de hindoes, noch de leringen van de Upanishaden of andere geschriften van de zes scholen van de Indiase filosofie.

Theosofische visies, leringen en ideeën kunnen, nee, zullen zelfs hierin worden gevonden, alsook in de Veda’s en haar zes uiterlijke of oorspronkelijke vertakkingen; maar eveneens zullen ze worden gevonden in de Egyptische Purana’s bekend als het Dodenboek, of in de Griekse Itihasa’s van de Ilias en de Odyssee, of in de Hebreeuwse Smriti van Mozes. Maar in al deze werken die overal als apara vidya, lagere kennis, bestaan, zijn vervormingen en verloederingen in overvloed aanwezig; niet alleen heeft avidya-agnosticisme inbreuk gepleegd op apara vidya, maar de priesterkaste heeft haar aangevallen en haar erger dan waardeloos gemaakt, zelfs boosaardig.

 

Daarom komt de Theosofie in de moderne wereld als een stelsel van leringen dat boven de apara vidya staat, en dat het eerste hoofdstuk van gupta vidya is, en dat nergens volledig kan worden gevonden. De Boodschap van H.P. Blavatsky vertegenwoordigt dat eerste hoofdstuk; “hoe onvolledig en zwak de uiteenzetting” ook mag zijn19, en hoe ontoereikend ook de moedige poging het in een menselijke taal te schrijven, die boodschap is het eerste van de zeven hoofdstukken van de esoterische wetenschap –gupta vidya- waarvan haar boodschapper zegt:

“Het voorgaande, noch wat er volgt, kan men als geheel ergens volledig aantreffen. Het

wordt in geen enkele van de zes Indiase filosofische scholen geleerd, want het betreft hun

synthese – de zevende school, dat is de occulte leer. Het is op geen enkel halfvergaan

stuk papyrus uit Egypte terug te vinden, evenmin staat het nog gegrift op Assyrische

kleitabletten of granieten muren. De boeken van de Vedanta (het laatste woord op het

gebied van menselijke kennis) geven slechts het metafysische aspect van deze

wereldkosmogonie; en de Upanishads, hun waardevolle schatkamer, -Upa-ni-shad is een

samengesteld woord en betekent ‘het overwinnen van onwetendheid door het openbaren

van geheime, geestelijke kennis’- vereisen nu het bezit van een extra sleutel, die de

onderzoeker in staat stelt tot hun volledige betekenis door te dringen. Ik ben zo vrij de

reden daarvoor hier uiteen te zetten, zoals ik die van een Meester heb gehoord.”20

 

Zowel scepticisme als bijgeloof zijn het resultaat van de verloedering van apara vidya, de lagere kennis, waarvan de levensdraad, gupta vidya, het in de dagen van weleer aan zijn geest, para vidya, verbond. De eeuwige vijanden van de wijsheid –menselijke lichtgelovigheid en zijn nageslacht, de priesterkaste- braken haar levensdraad steeds af, maakten haar dood, en om zichzelf onsterfelijk te maken, revitaliseerden zij het lichaam en noemden het engel en God. De Geheime Leer zegt:

 

“Zo kan men aantonen dat alle exoterische religies de vervalste kopieën zijn van de

esoterische leer. De priesters moeten verantwoordelijk worden gesteld voor de reactie ten

gunste van het hedendaagse materialisme.

Door het vereren, en door aan de massa de verering op te dringen, van de lege omhulsels –ten behoeve van de allegorie verpersoonlijkt- van heidense ideeën, heeft de laatste exoterische religie van de westerse landen een pandemonium gemaakt, waarin de hogere klassen het gouden kalf aanbidden en de lagere en onwetende massa ertoe wordt gebracht een afgod met lemen voeten te aanbidden.”21

 

En opnieuw spreekt zij over hoe de stralen van gupta vidya:

“noodzakelijk werden verzwakt naarmate deze werden verspreid en op een ongeschikte,

want te materiële bodem vielen. Bij de massa ontaardden deze mysteries in tovenarij, die

later de vorm aannam van exoterische religies, van afgodendienst vol bijgeloof en van

mensen- of heldenverering.”22

 

en verwijst zij naar de “systematische vervolging van de profeten van het rechterpad door die van het linkerpad”23 en voegt eraan toe:

“Nadat deze laatsten het ontstaan en de evolutie van de priesterkasten hadden

teweeggebracht, hebben zij tenslotte de wereld tot al deze exoterische religies gevoerd,

die zijn uitgevonden ter bevrediging van de ontaarde voorliefde van de “hoi polloi” en de

onwetenden voor ritualistische praal en de verstoffelijking van het eeuwig immateriële en

onkenbare beginsel.”24

 

 

In geen van de exoterische religieuze filosofieën, en nog veel minder in geloofsovertuigingen en door priesters beheerste plaatsen van aanbidding kan het onaangetaste licht van wijsheid worden gevonden dat het denkvermogen van de mens kan verlichten waardoor het in manas-taijasi wordt getransformeerd.

Zowel in oost als west heeft verloedering de overhand waarbij het zich uitdrukt in wetenschappelijk scepticisme, religieus bijgeloof en een vreemde mengeling van blind geloof en foutieve scholing die het leven schenkt aan een wijdvertakt psychisme.

De benadering van Theosofie moet daarom, voor de huidige tijd en generatie, door middel van de zuivere boodschap van ons tijdperk gaan. Zodra haar grote leringen zijn begrepen, vertonen religies, wetenschappen, kunsten en filosofieën de grootsheid van wat waarlijk goed en mooi in hen alle is.

Theosofie verschaft een gemeenschappelijke basis die hen alle verenigt en brengt in harmonie wat in elk afzonderlijk tegenstrijdig lijkt.

B.P. Wadia.


1 Vgl. H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, I, p.136.

2 Idem, I, Eng.p.137vn.

3 I Korintiërs, 2, 4-7.

4 Spreuken 3, 9: 4-5.

5 H.P. Blavatsky, Theosofisch Glossarium, Antwerpen* – Den Haag, GLT, p.421.

6 Idem, p.170.

7 H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, I, Eng. p.7.

8 Isavasyopanishad, II.

9 Mundakopanishad, I, 4-5.

10 Chandogyopanishad, I, 4-4.

11 H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, I, Eng.p.72 Vgl. ‘zeven zonen van de goddelijke Sophia’,

Idem, I, Eng.p.430.

12 Er wordt soms naar verwezen als Uma-Kanya, de maagd van licht, of beter: maagdelijk-licht.

13 H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, I. Eng.p.293.

14 Idem, I, Eng.p.269.

15 Idem, I, Eng.p.270.

16 H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte, UTL-uitgave*, Eng.p.1.

17 H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, II, Eng.p.230.

18 Idem, I, Eng.pp.269-272.

19 Idem, I, Eng.p.269.

20 Idem.

21 Idem, I, Eng.p.578.

22 Idem, II, Eng.p.281.

23 Idem, II, Eng.p.503.

24 Idem.

 

* Zowel het Theosofisch glossarium als de Stem van de Stilte + glossarium zijn te verkrijgen via

G.L.T. Den Haag en G.L.T. Antwerpen.