Al hoedzjwiri - al-Khayr - Al-Halladj

Abd al-Hassan al-Djoellabi al-Hoedzjwiri is waarschijnlijk geboren in de laatste tien jaren van de tiende eeuw, mogelijk in de eerste tien van de elfde eeuw, te Ghazna in Oost-Khorassan, Noordoost-Iran.
Zijn familie stond bekend om haar ascetisme en haar vroomheid en hijzelf was een orthodoxe soenniet van de school der hanafieten.

Zijn eerste geestelijke gids was al-Khoettali, die tot de school van al-Djoenayd van Bagdad behoorde, een van de beroemdste vroege soefileraren. Deze Khoettali bracht het grootste deel van zijn leven in eenzaamheid door in Syrië, en het was in de buurt van Damascus dat hij stierf en aan          al-Hoedzjwiri zijn laatste instructie meegaf:

‘Weet, mijn zoon, dat overal, in toestanden van goed en van kwaad, de ware Auteur ervan de grote en glorieuze God is. Om deze reden is het niet gepast zich over te geven aan gramschap of bitterheid in het hart.’

Theosofisch gezien gebruikt men ‘God’ vaak in plaats van wetmatigheid of karma.

Al-Hoedzjwiri kon deze wijze raad goed gebruiken, want hij zou op zijn levensweg heel wat moeilijkheden ontmoeten, die hij moest overwinnen alvorens de ingang tot ‘het Pad’ te ontdekken.

Al-Hoedzjwiri was een verwoed reiziger. Hij vertelt ons de graven te hebben bezocht van Bayazid, de grote Perzische mysticus, te Bistam en van Aboe Sa'id b.Abi al-Khayr (vn 2), de mystieke dichter, te Mihna.

Hij ging ook naar Damascus, Ramla en Bayt al-Djinn in Syrië, naar Toes, Oezkand en Merv, en naar Djabal al-Battam, ten oosten van Samarkand. In de loop van zijn reizen kwam hij in contact met de voornaamste soefi’s en religieuze leiders van zijn tijd en verwierf zo de kennis die hem in staat stelde de leringen van de soefi’s met zo'n verlichte en ruime visie uiteen te zetten.

Onder de figuren die hij ontmoette bevonden zich o.a. Goergani, met wie hij de mystieke leringen van het soefisme besprak, en al-Qoesjairi, van Nishapur, wiens ‘Verhandeling’ een van de duidelijkste en best geresumeerde weergaven over het soefisme is die nog bestaan.

Alleen al in Khorassan ontmoette hij driehonderd leidende soefi’s en hij zegt ons dat ieder van hen voor de hele wereld voldaan zou hebben, want in Khorassan ‘stonden de zon van de liefde en het bereiken van het Pad in de sterren.’

Al-Hoedzjwiri werd beïnvloed door de vroege soefileraren al-Razi en Tirmidhi en het is evident dat hij ook de leringen van Mansoer al-Halladj (vn 3) heeft bestudeerd.

Al-Hoedzjwiri moet zijn gestorven rond 1079.

Hij vermeldt negen eigen werken, waaronder een over de werkwijze van het soefisme, en een over de vereniging met God, maar het ‘Kasjf al-Mahdjoeb (De ontsluiering van het gesluierde), dat het laatste van zijn werken was, is het enige dat ons heeft bereikt en nog bestaat. Het is dan ook hieruit dat we onze kennis over zijn lering betreffende het Pad van de soefi afleiden. (vn 1).

Al-Hoedzjwiri verklaart in zijn voorrede dat een belangstellende hem gevraagd had het ‘Pad’ van de soefi’s duidelijk te beschrijven, te zeggen wat men erdoor kon bereiken, hun religieuze leringen uit te leggen, de natuur van de goddelijke liefde te verklaren, de redenen te geven waarom sommigen totaal onbekwaam zijn de mysteriën te begrijpen, en uiteindelijk, ook een bodschap te brengen over de praktijken van de soefi’s, gebaseerd op hun leringen.

Hij klaagt dat in zijn tijd velen zich hebben overgegeven aan zelfverwenning en het Pad hebben verlaten. Deze lieden geven zich uit voor wat zij niet zijn.

Zij bereiken de werkelijkheid niet, zij veronachtzamen de ascetische praktijken en geven zich over aan fantasieën, wat zij dan ‘contemplatie’ noemen.
 
‘In onze tijd,’ zegt hij, ‘heeft God de ogen van velen voor het soefisme en zijn volgelingen versluierd en heeft Hij de subtiliteiten van de leer voor hun harten verborgen. Daarom zijn er die zich inbeelden dat soefisme bestaat uit louter uiterlijke vroomheid zonder innerlijke contemplatie, en anderen veronderstellen dat het een vorm of een systeem is zonder substantie of grondvesting, zodat zij het soefisme geheel verwerpen en er zich tevreden mee stellen hoegenaamd niet te weten wat het werkelijk inhoudt.
Het gemene volk heeft hen nagebootst, heeft de zoektocht naar innerlijke zuiverheid uit zijn hart verbannen en is de leringen vergeten, gegeven door de voorlopers en de gezellen van de profeet.’ (Kasjf al-Mahdjoeb, p.35).

Dit is evenzeer een treffende beschrijving van onze tijd.

Toch is het duidelijk dat, indien velen onder zijn medeburgers in zijn tijd in Ghazna zelf onverschillig bleven voor de echte leringen van het soefisme, er elders in Khorassan een oprechte wens bestond het Pad te leren kennen, en het grote aantal van diegenen die samenstroomden om naar de grote soefileraren te komen luisteren en hun onderricht in zich op te nemen, bewees de algemene hunkering meer over het soefisme te ontdekken.

Bovendien toont het bestaan van een mystieke poëzie en van soefiverhandelingen, waaronder Kasjf al-Mahdjoeb zelf, aan dat er bij de belangstellenden vraag naar soefiliteratuur moet zijn geweest.

Het doel van de ‘De ontsluiering van het gesluierde’ was een volledig systeem van het soefisme te brengen. Voor zover wij weten, was dit niet eerder geprobeerd, noch in het Arabisch noch in het Perzisch. Al-Hoedzjwiri leert in zijn boek een gevorderd type van mystiek: hij toont de Weg die de zoeker naar volmaaktheid moet volgen en beschrijft het einddoel dat de vervolmaakte ziel bereikt in haar eenheid met God.

Voor al-Hoedzjwiri is God de Ene Werkelijkheid, oneindig en apart. (juist zoals in de eerste Grondstelling van 'De geheime leer'.)
Gelijk welke andere wezenheid naast God te zien zou gelijk staan met polytheïsme, en daar Hij de Enige Oorzaak van al het bestaande is, en de enige Agens, moeten alle daden aan Hem worden toegeschreven, hoewel we zullen zien dat al-Hoedzjwiri zijn opvatting enigszins nuanceerde wanneer hij de kwestie van de menselijke vrije wil behandelde. (Zie in dit verband de voetnoot van B.P.Wadia bij dit artikel.)

Alle entiteiten zijn afhankelijk van de goddelijke wil en de decreten van God zijn absoluut; alleen Hij bezit de macht van de  predestinatie, ten goede of ten kwade.    Hij alleen is zelfbestaand, onafhankelijk van alles, ‘zoals Hij steeds is geweest en altijd zal zijn.’ Hij is levend, barmhartig, mededogend, almachtig, hoort en ziet alle dingen, en is alwetend, kennende alles wat bestaat en niet bestaat, ‘want Zijn kennis dringt door tot wat verborgen is, en begrijpt dat wat geopenbaard is.’ (Kasjf, p.358)

Aan Hem behoren schoonheid, majesteit en volmaaktheid, en soms is het door het ene of het andere van deze attributen dat zijn aanbidders tot Hem komen en Hem liefhebben. ‘Want hij voor wie de bewijskracht van de gnosis in de schoonheid van God ligt, en hij die haar vindt in de majesteit van God, verafschuwt steeds zijn eigen kenmerken en zijn hart is gevuld met ontzag.

Nu is de hunkering het gevolg van liefde en eveneens de afschuw voor louter menselijke hoedanigheden, daar inzicht in menselijke attributen van dezelfde essentie is als de liefde.
Geloof en gnosis zijn vormen van liefde en het teken van de liefde is gehoorzaamheid (Kasjf, p.370).

Al- Hoedzjwiri zegt dat hij God kent door of dankzij God, en dat wat niet God is, door het licht van God, en in een van zijn mooiste passages verklaart hij hoe het universum in waarheid vol is van de goddelijke aanwezigheid, die voor sterfelijke ogen verborgen blijft om reden van hun onvolmaaktheid.

‘Weet dat ik dit universum bevonden heb het schrijn van de goddelijke mysteriën te zijn; God heeft zich aan de geschapen dingen toevertrouwd en in dat wat bestaat, heeft Hij zich verborgen. Substanties, gebeurtenissen, elementen, lichamen, vormen en eigenschappen, zij zijn alle de sluiers van deze mysteriën.


Vanuit de leer van de Eenheid (van God) zou het bestaan van al deze dingen neerkomen op polytheïsme, maar de Opperste heeft verordend dat dit universum, door zijn eigen wezensaard, een versluiering van Zijn Eenheid zou zijn.

Daarom is het dat het denken van de mensen wordt opgeslorpt door hun bestaan in de wereld van de verschijnselen, zodat zij de goddelijke mysteriën niet waarnemen en slechts vaag de wonderlijke nabijheid van God aanvoelen. De mens is vervuld van zichzelf, gaat achteloos aan al het andere voorbij, onbekwaam de Eenheid achter de dingen te zien, blind voor haar schoonheid.

Dan zal hij de vreugde niet smaken die het Ene hem biedt; hij wordt door de ijdelheden van deze wereld afgeleid, weg van het ‘visioen der waarheid’ en laat toe dat de dierlijke ziel hem regeert, en zij is de machtigste sluier tussen hemzelf en God.’ (Kasjf, p.9)

De essentie van God is onbegrijpelijk en voor het werelds oog onzichtbaar, maar zij kan worden benaderd door geloof en gezien als Oneindig, boven het begrip verheven, niet vervleselijkt.

Het hart van de mens kent Hem, maar het intellect (lager manas) kan er niet bij. Hij zal in de volgende wereld worden gezien en zelfs in deze wereld zullen de gelovigen Hem zien, met dat spirituele zintuig dat het oog van de ziel is.

Volgens al-Hoedzjwiri bestaat de menselijke ziel uit de lagere, dierlijke ziel (nafs), die de zetel is van het kwaad, en de hogere, de geest (roeh of djan), die de zetel is van het goede.

Het hogere heeft als attribuut intelligentie, en het lagere passie. Hier schijnen we de echo op te vangen van de platonische opvatting van de rede en de hartstocht. De geest van de gelovige roept hem op tot het paradijs, waarvan het een model voor deze wereld is, terwijl de lagere ziel hem naar de hel lokt, waarvan zij evenzeer het model is.

De lagere ziel moet door de hogere worden overmeesterd, want deze is de woonplaats van het goddelijke mysterie en hier vinden we misschien de leer terug van de ‘goddelijke vonk’, die in de ziel verblijft.
Maar hoewel al- Hoedzjwiri de pre-existentie van de geest onderwijst, ontkent hij dat de geest een deel van God zou zijn: hij is immers niet eeuwig, aangezien God, de Eeuwige, hem geschapen heeft.

Toch geeft hij toe dat de ziel de liefde van God kan bereiken, Hem naderbij komen en uiteindelijk in de vereniging met Hem haar rust vinden.
Al-Hoedzjwiri heeft zich ook beziggehouden met het dilemma waarmee iedere orthodoxe moslim moet worden geconfronteerd, namelijk de leer van de predestinatie te verzoenen met het feit dat de mens zijn vrije wil heeft. 

Zonder de vrije wil kan men hem immers niet beschouwen als moreel verantwoordelijk voor zijn daden. Hij beweert daarom dat de Eenheid van God minder de betekenis heeft van predestinatie maar meer die van vrije wil: wie de leer van de Eenheid aanvaardt moet ook wel predestinatie aannemen, daar Almacht en Alwetendheid aan de Ene Werkelijkheid worden toegeschreven, maar hij dient te handelen alsof hij in de vrije wil geloofde en zo een middenweg bewandelen.

Al-Hoedzjwiri vermeldt in dit verband dat volgens sommigen het geloof helemaal van God komt, en dit zou inderdaad louter predestinatie zijn, omdat de mens dan niet over een keuze zou beschikken; anderen zeggen dat het geloof geheel uit de mens zelf komt, en dit is eveneens verkeerd, want dan zou er niets anders dan vrije wil zijn, en de mens kan God slechts kennen door de kennis die God hem geeft. (Kasjf, p.371)

Hij waarschuwt zijn lezers dat predestinatie nooit een argument mag worden om de goddelijke bevelen te veronachtzamen. Tezelfdertijd moet de mens God danken voor Zijn hulp; hij wordt naar ascetisme geleid door ‘een flits van goddelijke schoonheid’; op dezelfde manier kan hij zich ook niet van iets onthouden zonder de hulp van God en op grond van eigen inspanningen alleen; noch op voorspoed hopen zonder Zijn steun.

De vrije wil uit te oefenen betekent voor de soefi dat hij de voorkeur zal geven aan de keuze van God boven die van hemzelf; hij is tevreden met het goede en het kwade dat God voor hem heeft gekozen; en toch is zelfs dit uiteindelijk het resultaat van Gods keuze, daar God de mens ertoe heeft gebracht zijn eigen keuze te laten varen. De leer van al-Hoedzjwiri wordt misschien goed geresumeerd in deze verzen van Shakespeare:

‘Er is een Godheid die ons levensdoel bepaalt en wie het eigenhandig wil proberen faalt,’

maar hij houdt staande dat de mens heel wat zelf 'moet' proberen.
In zijn zoeken naar God mag de soefi het heil van zijn medemens niet vergeten.
‘Zodra ge aan uzelf hebt verzaakt,’ zegt al- Hoedzjwiri, ‘wordt heel de mensheid vereist om de Wil van God te vervullen.’

Verder herhaalt hij wat alle grote mystici hebben gezegd:
de goede inborst is tweeërlei, tegenover God en tegenover de mens.
Plato zei:‘Het volmaakte leven zou een leven zijn van volmaakte gemeenschap met andere zielen en evenzeer met de Ziel die het universum tot leven brengt.’
En niet alleen St.-Johannes, maar de meeste mystici na hem, hebben geleerd dat de minnaar van God het ‘universele’ leven moet leven, naar God en naar de mens toe.

De soefizoeker naar God, zegt al-Hoedzjwiri, moet ook dan wanneer zijn ziel naar eenzaamheid hunkert, het gezelschap van mensen verdragen, ter ere van God, en hij moet zijn plicht doen tegenover allen, maar zijn verbondenheid met de anderen moet in het teken van het goddelijke staan en van wat dit aan anderen kan brengen, nooit voor eigenbelang.

De ouderen moeten worden behandeld met eerbied, de gelijken in staat en leeftijd in een geest van broederschap, en de jongeren met genegenheid. De soefi moet haat, afgunst en kwade wil opgeven; afwezigen mogen niet worden belasterd en in zijn relaties met anderen mag er geen verdenking van oneerlijkheid zijn.
Hoffelijkheid en dienstbetoon moet men vrijwillig aan reizigers en gasten bieden, en al-Hoedzjwiri brengt verscheidene verhalen over het werk, natuurlijk ook laag bij-de-gronds handwerk, dat soefi’s graag voor elkaar doen. Hij waarschuwt ook tegen het beoordelen en bekritiseren van anderen.

‘Ware mystici,’ zegt hij, ‘zien in de daad de ziel die handelt, en daar de mens, wat ook zijn kwaliteiten, fouten en gebreken, openlijk of verborgen, steeds aan God behoort en door Hem werd geschapen, ruziet men met God wanneer men met de mens ruziet. (Kasjf, p.452)

Zelfopoffering ten gunste van anderen moet ook in zelfdiscipline aanwezig zijn. Men mag niet zoeken naar wereldse weelde en ongerechtvaardigde winst, en het ascetisme moet worden toegepast. Voor al-Hoedzjwiri is ‘vasten’ een vorm van zelfbeheersing die naar alle richtingen uitstraalt. Het doel van alle soberheid en zelfkastijding is de vleselijke ziel te onderwerpen en de zoeker te bevrijden teneinde het Pad te bewandelen dat naar eenheid met God leidt.

Volgens al-Hoedzjwiri zijn er op dat Pad drie stadia, en deze drie komen nauw overeen met het drievoudig Pad dat de meeste westerse mystici kennen.
Het eerste stadium is dat van de ‘staties’, die aanduiden waar de zoeker ‘staat’ in zijn tocht en welke vorderingen hij heeft gemaakt.
De plichten van elke statie moeten worden vervuld en de deugden eigen aan die trede verworven vooraleer hij zich naar de volgende statie begeeft.


Deze staties beginnen met bekering en berouw en gaan verder langs geduld, hoop en heilige vrees, vrijwillige armoede, verzaking aan deze wereld en aan de volgende en feitelijk aan alles behalve God; vertrouwen in God en afhankelijkheid van Hem, en unificatie, die betekent het opgaan van de persoonlijke wil in de Wil van God, terwijl de laatste staties die van voldoening en liefde zijn.

Dit eerste stadium is het ‘purgatieve’ of louterende leven, waarin de zoeker wordt gezuiverd van de hindernissen geworteld in vlees en zelf, en de deugden verwerft die hem in staat zullen stellen God en de medemens te dienen. Het is een stadium van voortdurende inspanning en ernstig streven. De zoeker kan er slechts met de hulp van God in vorderen en die hulp wordt nooit geweigerd aan hen die oprecht zijn.

Het tweede stadium, dat men reeds kan beleven terwijl het eerste nog duurt, is dat van de ‘staten’ of toestanden, fasen van extase die door God in de ziel van de mysticus worden gezonden en tekens zijn van de gunst en gratie aan hem verleend om zijn geestelijke vooruitgang aan te duiden en hem aan te moedigen; zij zijn de gaven van God en zijn niet afhankelijk van de eigen inspanningen van de mysticus (als persoonlijkheid). Dit stadium komt overeen met het ‘Illuminatieve’ leven.

Het derde en laatste stadium is dat van de ‘zekerheid’ en dit is het doel van de queeste, het bereiken van het unitieve leven.

De mysticus verblijft nu in het paleis van de volmaaktheid en heeft rust gevonden in het schrijn van de Godheid (het Egoïsche of geestelijke bewustzijn en zijn voertuig. (n.v.d.v.)
Nu is de minnaar van God geworden als de zon in een wolkenloze hemel, want hij is dood voor zijn eigen attributen en vertoeft in die van zijn Beminde (Kasjf p.37).

In het licht van liefde en vereniging ziet hij de glorie van God en ofschoon hij nog op deze wereld is, dringt hij door in de mysteriën van de toekomstige. De ziel heeft die mystieke gnosis bereikt die voorbij de rede ligt, zij is door alle sluiers heengedrongen en in de contemplatie van het goddelijke visioen is zij vervuld van zo’n liefdesverrukking dat haar hele wezen in de Beminde opgenomen is en zich van niets anders meer bewust is. Wanneer de eigenwil uit deze wereld verdwenen is, zegt     al-Hoedzjwiri, is de contemplatie bereikt, en vanaf dan is er geen onderscheid meer tussen deze wereld en de volgende.

De sjaikhs van dit Pad, zegt hij ons, zijn het allen eens dat, wanneer een mens door de ‘stadia’ en de ‘staten’ is gegaan, niet langer onderhevig is aan verandering en verval en alle deugden heeft verworven, hij niet meer de bezitter is van hoedanigheden.

Zijn verblijf bij God is ononderbroken en wanneer hij dit stadium heeft bereikt, is hij uit deze wereld en uit de volgende opgestegen; bevrijd van de bolster van zijn menselijkheid is hij goddelijk geworden (Kasjf p.38).

God heeft in hem vervuld wat Hij beoogde en deze laatste staat zou opnieuw zijn eerste moeten worden: hij moet nu zijn zoals hij was voor hij ‘bestond’, toen de ziel, nog niet gebonden aan het wereldse lichaam, in het licht en de tegenwoordigheid van God vertoefde.

Sterfelijkheid (fana) is nu onsterfelijkheid (baqa) geworden. ‘Deze termen’, zegt al-Hoedzjwiri, ‘worden door de soefi’s toegepast op de graad van volmaaktheid van de heiligen, die ontsnapt zijn uit de smart van conflicten, de kluisters van de ‘staties’ en de wederwaardigheden van de ‘staten’, en van wie de zoektocht werd bekroond met ontdekking. (Boven de drie ‘gunas’ verheven. (n.v.d.v.)

Zij hebben alle zichtbare dingen gezien, alle hoorbare gehoord, en zijn de geheimen van het hart te weten gekomen; zij hebben begrepen hoe onvolmaakt alles was dat zij hadden ontdekt en door er zich van af te keren hebben zij doelbewust alle begeerte vernietigd. Zonder begeerte zijn zij opgestegen van sterfelijkheid en hebben zij volmaakte onsterfelijkheid bereikt. (Kasjf, p.312,313).

De Queeste is ten einde. Het Pad heeft de zoeker naar het doel gebracht. De ziel, gelouterd en vervolmaakt, is gestorven aan zichzelf en leeft nog slechts in God; zij verblijft voor immer in Zijn tegenwoordigheid, aanschouwt de goddelijke schoonheid en kent niets of niemand anders dan de Beminde. Zij doet niets anders dan Zijn Wil. Zij is teruggekeerd tot en één geworden met het Ene en het Al.

Dit artikel, verschenen in ‘The Aryan Path’ van december 1930, pp. 767-773, is van de hand van Dr. Margaret Smith, beroemde specialiste in de mystiek van de islam en zeer regelmatige medewerkster aan het tijdschrift dat B.P.Wadia in januari van dat jaar had gestart. Over Margaret Smith hebben we bijzonderheden gegeven in onze aflevering over Rabi'ah, de eerste vrouwelijke heilige van de islam, GLT-Reeks boek III, Nr.1.
De citaten verwijzen naar de Perzische tekst in de uitgave van A.V.Zjoekovskij, Leningrad, 1926.
Er bestaat een fijne Engelse vertaling van het ‘Kasjf al- Mahdjoeb’ door Prof. R.A.Nicholson, in de Gibb Series, London 1911.

De heer B.P.Wadia was reeds als rechterhand (of een van de rechterhanden) van Mrs. Annie Besant, een vooraanstaand theosoof.

In 1921 kwam hij zich bij de United Lodge of Theosophists in Los Angeles vervoegen en later was hij onze voornaamste kracht in Europa en India.

Hij gaf ook aanleiding tot de stichting van nieuwe GLT’s, in New York (1922), Londen (1925), Parijs (1928) en Bombay (1929). In 1935 was hij het ook die onze gids was bij de oprichting van de Theosofische Studiegroep Antwerpen en hij stond ons met raad en daad bij toen wij deze groep in 1956 transformeerden tot regelmatige GLT.  Hij overleed in 1958.

Het leek ons gepast hier de inleidende tekst van de heer Wadia bij dit artikel te plaatsen. Zijn woorden bevestigen het belang van figuren als al-Hoedzjwiri, of in de Engelse tekst, al-Hujwiri


Voetnoot 1:

Bij de studie van dit artikel moeten we rekening houden met twee beperkende omstandigheden die evenzeer de schrijver als de lezer beïnvloeden: de eerste is dat sierlijke metaforen, die natuurlijk zijn in de taal van een dichterlijk en mystiek volk van het Oosten, vaak worden geconcretiseerd en zelfs gematerialiseerd; ten tweede gebeurt het meermaals dat we de gedachten van een vroegere tijd en van een ander land kleuren met onze eigen vooropgezette concepties en geliefkoosde opinies. Volgens Hoedzjwiri bestaat het opheffen van de ‘tiende sluier’ in het beheersen van terminologie en fraseologie, nodig om de waarheden te vatten die door de ideeën worden aangeduid.

Om zo maar één voorbeeld te kiezen - het Semitisch denkbeeld van de persoonlijke God heeft zodanig bezit genomen van onze denkstructuur dat we, wanneer Hoedzjwiri over ‘God’ spreekt, gemakkelijk overhellen tot de mening dat de grote soefimysticus het geloof aan een of andere persoonlijke God buiten de mens zou hebben onderwezen.

Op een van de plaatsen verklaart Hoedzjwiri : ‘God schiep het lichaam en wijdde het leven ervan aan de geest (Djan), (theosofisch gezien: het prana of de vitaliteit), en Hij schiep de Ziel en wijdde haar leven aan Hemzelf (theosofisch: het Hoger Zelf).
’De unie met God, of yoga, is slechts mogelijk op grond van het feit dat de essentie van de mens goddelijk is. Zoals zeer juist wordt gezegd, is ‘het universum in waarheid vol van de aanwezigheid van God’, ‘het menselijk denken is onbekwaam de goddelijke mysteriën waar te nemen’ en ‘het menselijk denken voelt slechts vaag de wonderlijke nabijheid van God aan.’


Zij die Theosofie bestuderen zullen in vrijwel elke paragraaf hun eigen bekende leringen terugvinden : hoe het kama rupa of de dierlijke ziel de kans krijgt de mens te domineren; hoe niet door het intellect (manas) maar het hart (buddhi) de God, die het Zelf is, kan worden gekend; hoe de gelovige God kan en zal kennen zelfs in deze wereld; hoe er twee lichten zijn, het zuivere akasische en het nefaste astrale, respectievelijk voorgesteld als het paradijs waaruit de Ziel emaneert en als de hel waaruit de lagere dierlijke ziel opkomt; hoe Nirvana tegelijkertijd de vernietiging (fana) is van de lagere aardse kenmerken, en de onsterfelijkheid en realisatie (baqa) van de hemelse goddelijke staat, etc.

Verder onderwijst al-Hoedzjwiri de leer van karma, met haar aspecten van vrije wil en voorbestemming, en hoe verwarrend zijn woorden ook mogen zijn voor anderen, voor de theosoof biedt zijn lering op dit stuk geen moeilijkheden.

Indien als gevolg van dit artikel sommigen het origineel zullen opzoeken en zien hoe de theosofie, exoterisch en esoterisch, werd geleerd, gepraktiseerd en onderwezen, nu duizend jaar geleden, zouden we ons terdege beloond voelen.
Bovendien is er veel over de esoterische filosofie te leren in dat theosofische boek, ‘De ontsluiering van het gesluierde.’

Voetnoot 2:

Over Aboe Sa'id b.Abi- al-Khayr bestaat eveneens een kort artikel van Dr.Margaret Smith, verschenen in ‘The Aryan Path’ van augustus 1931. Hier een resumé:

Aboe Sa'id Fadlallah b.Abi al Khayr, ‘Het sieraad van het mystieke pad’, werd geboren te Mayhana in Khorassan, Noordoost-Iran, in 967. Door zijn vader, een apotheker, in contact gebracht met het soefisme uit zijn jeugd, kreeg hij een uitstekende opvoeding, met studies in de Koran, de Arabische taal en de dichtkunst van de islam. Hij studeerde theologie bij Aboe al-Qasim en werd door hem verder ingewijd in de mystieke leringen van de soefi’s.
Aboe Sa'id vertelde later over deze periode dat de Weg reeds voor hem openstond in zijn jeugd. Hij studeerde nog tien jaar in Merv onder al-Hoesri en al-Qaffal, zette zijn theologische studies voort in Sarakhs, werd er opgenomen in een soefiklooster en kreeg er onder Aboe al-Fadl Hassan de inwijding in de ware gnosis.
Zijn leraar zond hem daarna terug naar zijn geboorteplaats, waar hij, volgens zijn biograaf, zeven jaar doorbracht in eenzaamheid en meditatie. Later bezocht hij Sarakhs opnieuw en Aboe al-Fadl stuurde hem door naar Abd al-Rahman al-Sulami (de auteur van de biografieën der vroege soefileiders) om van hem het opgelapte kledingstuk (Khirqa) te ontvangen, het teken van de soefi-adept.

Daarna volgde een nieuwe periode van jaren van loutering en zelfdiscipline in de bergen en woestijnen rond Mayhana, waar hij de purgatieve en illuminatieve stadia doormaakte. Vanaf die periode, rond 1009, begon hij zijn theosofische doctrine systematisch te ontwikkelen.
In vele steden (Toes, Nisjapoer, Kharagan) predikte hij voor grote aantallen toehoorders en bekeerde velen tot het soefigeloof. Het   soefiklooster van Nisjapoer werd zijn regelmatige verblijfplaats.     Hij schijnt er ook de beroemde Aboe al-Qasim al-Qoesjairi te hebben ontmoet, de auteur van een belangrijke verhandeling over het soefisme. Aboe Sa'id bracht de laatste jaren van zijn leven door te Mayhana, waar hij in 1049 stierf, 82 jaar oud. Hij schreef een epitaaf voor zijn eigen graf in de moskee vlakbij zijn huis.

De voornaamste bron voor de kennis van zijn leven en leer is een boek geschreven door zijn achterachterkleinzoon en gebaseerd op een vroegere biografie. Het heet ‘De geheimen van de eenheid volgens de leringen van shaikh Aboe Sa'id’. Er bestaan ook verzamelingen van mystieke kwatrijnen.
Hij werd door zijn tijdgenoten diep vereerd om zijn heilige levenswandel en zijn onderwijs vol inspiratie. Het is al-Hoedzjwiri die hem ‘Het sieraad van het mystieke pad’ noemde, en ook ‘De sultan van zijn tijdperk’. De mensen begrepen al snel dat hij gemakkelijk hun gedachten las en Djami noemde hem ‘De aanschouwer van de harten.’

Aboe Sa'id was een van de eerste Perzen die ten volle gebruik maakte van de mystieke symbolische taal waarmee de soefi zich in verzen en in proza uitdrukte. Zij versluierden zo de esoterische waarheden voor hen die er nog niet rijp voor waren.
Voor Aboe Sa'id betekenden ‘wijn’ en ‘De roes van de dronkenschap’ de extase, die het gevolg was van meditatie over God.

De pantheïstische opvattingen van de soefi’s, geïntroduceerd door Baya-zid van Bissam (die stierf in 874), zijn karakteristiek voor de mystiek van de islam. Aboe Sa'id houdt staande dat de menselijke ziel onsterfelijk is en onderwijst duidelijk de leer van een ‘goddelijke vonk’. Hij noemt dit ‘een goddelijk mysterie’ (sirr), en beschouwt de vonk als overeenkomend met 'het geweten, dat openstaat voor de stem van God' en waardoor de intuïtieve kennis wordt ontvangen.

Hij zegt andere dingen die voor een esoterische interpretatie vatbaar zijn. Bijvoorbeeld : ‘God schiep de zielen vierduizend jaar voor dat Hij hun lichamen schiep. Hij plaatste ze dicht bij Hem zodat ze Zijn licht zouden ontvangen en verleende hun zijn gunsten in de mate dat zij waren verlicht.’ De vierduizend jaar kunnen een bedekte verwijzing naar de vier ronden zijn. Volgens de theosofie is het 18 miljoen jaar geleden, in de helft van de ‘vierde ronde’, dat menselijke zielen zich incarneerden.

Voetnoot 3:

In de ‘Aryan Path’ van april 1931 vinden we het artikel, alweer van Dr. Margaret Smith, over al-Halladj, met zijn volledige naam Al-Hoessein b.Mansoer al-Halladj, rond 858 geboren te Bayda in Fars, zuid-Iran.
Een van de schrijvers zegt dat zijn grootvader een volgeling van Zoroaster was.

De heer Wadia, zelf een Parsi, vond dit interessant en merkte op dat, volgens een zekere school van esoterici in India, de vroege centra van het soefisme hulp kregen van zoroastrische geleerden die in het geheim werkten omdat hun religie het slachtoffer van vervolgingen was.

Al-Halladj bracht zijn jeugd door te Wasit in Irak en toen hij zestien was vertrok hij naar Toestar, waar hij twee jaar lang de leerling was van Sahl ibn'Abdallah Toestari. Sahl was schijnbaar de eerste in de islam die leerde dat berouw de eerste stap naar het Pad was en dus een plicht. Hij werd hiervoor verbannen naar Basra, waar al-Halladj hem volgde.
Nadat hij zijn pelgrimstocht naar Mekka had gemaakt reisde hij naar Bagdad, en voegde zich daar bij de soefi’s, bijzonder al-Djoenayd. Deze bekende soefileider leerde dat de zielen in hun pre-existentie bij God waren geweest en de weg terug moesten gaan.
Al-Halladj bleef vele jaren bij al-Djoenayd en leidde een zeer ascetisch bestaan. Na een reis naar Khorassan, Sidjistan en Kerman keerde hij terug naar Fars en begon er te prediken. Ook hij kon de gedachten van de mensen lezen en de geheimen ontsluieren die in hun hart verborgen lagen. Hij werd daarom ‘de kaarder van de harten’ genoemd, ‘Halladj al-asrar’, en deze naam bleef hem bij.

Rond 905 ging hij als zendeling op reis naar India, Khorassan, Turkestan en China en verwierf er de titels van ‘de bemiddelaar’, ‘de helderziende’, ‘de asceet’ en ‘de extatische’.
Na een derde pelgrimstocht naar Mekka bracht hij twee jaar door in stilte. Het was toen dat hij het gevoel kreeg de mystieke unie te hebben bereikt en dat zijn woorden niet van hemzelf waren maar dat God door hem sprak.
Hij keerde terug naar Bagdad, liet zich neer bij de soefi’s en begon opnieuw te prediken. In 913 werd hij aangehouden, beschuldigd van ketterij, en verbleef tot zijn dood in 922 in de gevangenis. Hij was een mysticus maar ook een martelaar, want zijn executie was bijzonder wreed: vijfhonderd zweepslagen, handen en voeten afgehakt, daarna gekruisigd, en daar hij ‘nog steeds in gesprek was (met God)’ werd hij ook nog onthoofd.
De orthodoxen hebben hem veroordeeld, maar generaties van soefi’s beschouwden hem als een ware theosoof. Hier enkele voorbeelden van zijn leringen :

* God is transcendent, boven alle wezens verheven en bestaat als een ongeschapen goddelijke geest. (‘ongeschapen’ betekent ‘zonder begin’, zoals het Hindoe ‘Sat’.)

* God is ook ‘al-Haqq’, de Ene Werkelijkheid, de Scheppende Waarheid .

* God is ‘in de hemel en op aarde’: Hoger Zelf en zijn geïncarneerde straal.

* De oorzaak van de schepping is de goddelijke Zelf-contemplatie, die Liefde is, deze Liefde wil meedelen en daarom een beeld van zichzelf voortbrengt. (Ook in de Rig Veda staat : ‘Begeerte rees eerst op in Het.’ Anders gezegd, Liefde (begeerte tot eenheid in verscheidenheid) is de oorzaak en de rechtvaardiging van het leven.

* God is vertegenwoordigd in de mens (zoals in de theosofie de Kumaras en de Manasaputras), want hij heeft een universele en een menselijke natuur. De vereniging van de twee is mogelijk dankzij de ‘hoeloel’, het inwonende principe.

Al-Halladj was tolerant: hij berispte een andere islamiet door te zeggen: ‘Het judaïsme en het christendom en de islam hebben verschillende titels en worden genoemd met verschillende namen, maar hun doel is hetzelfde, niet verschillend. ‘Geconfronteerd met een hongerige man in de woestijn voedde hij eerst diens hond en pas dan de man zelf’.