KAMALOKA
De eerste toestand na de dood. Waar en wat zijn hemel en hel? De dood van het lichaam is slechts de eerste stap van het sterven. Daarna volgt een tweede dood. Scheiding van de zeven principes in drie klassen. Wat is kamaloka? Oorsprong van het christelijk vagevuur. Het is een astrale sfeer met talrijke niveaus. De skandha's. De astrale schil van de mens in kamaloka. Deze is verstoken van ziel, denken en geweten. Het is de ‘geest’ van de seancekamers. Indeling van schillen in kamaloka. Zwarte magiërs daar. Het lot van zelfmoordenaars en anderen.
Pre-devachanische bewusteloosheid.
V. In het hoofdstuk wordt kamaloka als een plaats beschreven (p.115); is het alleen een plaats in metafysische zin?
A. Het is een ‘fysieke’ plaats in die zin dat het een graad van substantie is – de astrale substantie of atmosfeer die de aarde tot op een aanzienlijke afstand omringt – samengesteld uit de fysieke en psychische uitstralingen van de aarde. Maar het is een metafysische ‘plaats’ voor zover het het bewustzijn betreft van de persoon die erbij betrokken is.
V. Dan is het kamalokische gebied het astrale gebied?
A. Inderdaad. We gaan niet naar een bepaalde locatie om het te bereiken, net zomin als we ergens heengaan in onze droomtoestand. We bevinden ons gewoon in die toestand. En kamaloka is zoals de droomtoestand, in die zin dat het tijdelijk is; wanneer de energie die de dromen veroorzaakte, of die nu goed of slecht waren, is opgebruikt, keert de mens terug naar zijn eigen aard als persoon.
V. Als het kamarupa verstoken is van bewustzijn, hoe kan kamaloka dan vergeleken worden met de droomtoestand, waarin het bewustzijn actief is?
A. Er wordt niet gezegd dat kamaloka is verstoken van bewustzijn. We zijn, of kunnen op dit moment naar ons gevoel in kamaloka zijn,
maar we zijn geen kamarupa's. Een mens die in een toestand van neerslachtigheid verkeert bevindt zich net zo goed in kamaloka als wanneer hij zijn lichaam zou hebben verlaten. We moeten het lichaam, of voertuig, niet verwarren met het bewustzijn dat het gebruikt. Laten we altijd onthouden dat wij, als bewustzijn, in en op de materie werken; we moeten de vormen die door het bewustzijn worden voortgebracht niet verwarren met het bewustzijn zelf.
V. Hoe snel verlaat de werkelijke mens de kamalokische toestand?
A. De werkelijke mens is slechts korte tijd na de dood van het lichaam verbonden met het kamarupa; gedurende die tijd is hij eraan gebonden, net zoals hij op dit moment aan het fysieke lichaam is gebonden; maar hij laat dit kamische lichaam bijna onmiddellijk los, net zoals hij het fysieke lichaam heeft losgelaten.
De werkelijke mens gaat in gewone gevallen vrijwel direct over naar de devachanische toestand. Het kamarupa begint onmiddellijk uiteen te vallen en blijft zeer snel ontbinden, tenzij het wordt versterkt door mediamieke en andere praktijken.
V. Zouden er geen gevallen kunnen zijn waarin de werkelijke mens in kamaloka zou worden vastgehouden?
A. De hogere principes van een absolute materialist, of van iemand die de eerste stappen naar zwarte magie heeft gezet, zijn nog steeds feitelijk verbonden met het kamarupa, maar verder kan alleen een sterk gekoesterd innerlijk verlangen het Ego vasthouden. Dit is over het algemeen niet het geval, want wanneer het lichaam sterft, verliezen de zetels van begeerte, dat wil zeggen, de organen, hun vermogen om te prikkelen. De herinnering van elke cel en elk orgaan vervaagt wanneer ze niet langer deel uitmaken van een organisch wezen, en dus ontstaat er geen verdere begeerte.
Er zou een periode kunnen zijn van slechts vijf minuten, een kwartier of een jaar, waarin onze begeertes dezelfde richting volgen als tijdens ons leven, maar ze kunnen zich niet goed vernieuwen, omdat er geen zetel is voor hun werking.
Alleen een zeer sterk onvervuld verlangen houdt een kamarupa lange tijd in stand, en het begeertelichaam kan alleen door een externe druk worden vernieuwd. Zelfs als een kamarupa honderden jaren lang als een samenhangende massa van neigingen zou bestaan, zou dat niet betekenen dat het Ego ermee was verbonden. Als hij ermee verbonden was, zou hij enige controle hebben.
V. Bestaat het kamische lichaam dan als een entiteit die losstaat van de mens die het heeft verlaten?
A. Laten we voor eens en voor altijd onthouden dat de werkelijke mens zichtbare en onzichtbare bestanddelen heeft. De zichtbare bestanddelen bevinden zich in het lichaam; de onzichtbare bestanddelen bevinden zich in het astrale lichaam. Wanneer het lichaam wordt gebruikt, is de mens daar – de controlerende kracht. Wanneer hij het lichaam verlaat, blijft het lichaam wat het was. Wanneer hij zijn astrale lichaam in kamaloka verlaat, blijft het precies zoals hij het heeft achtergelaten.
Hijzelf wordt niet in kamaloka vastgehouden, maar zijn overblijfselen zijn daar, net zoals zijn overblijfselen hier op het fysieke gebied, voor een langere of kortere tijd of duur. De overblijfselen zijn op geen enkele manier bewust; ze zijn nutteloos voor de mens en kunnen niet door hem worden beheerst.
Ook al hebben ze misschien enig effect op hem, toch is hij zich niet bewust van dat feit. Als hij zich daar wel bewust van was, zou hij er controle over hebben; zijn wil zou dan werkzaam zijn. Maar in feite is hij daar helemaal niet.
V. Is er enig lijden in kamaloka?
A. Niet voor het Ego. De begeertes en hartstochten waaruit het kamarupa bestaat, keren terug naar hun eigen aard, en worden door de verandering alleen maar gelukkiger. Ze behoren tot de dierlijke of kamische wereld, niet tot de astrale materie.
V. Maar zijn we niet nog steeds verantwoordelijk voor het kamarupa, zelfs wanneer we kamaloka hebben verlaten?
A. Ja, dat kamarupa is als een machine die we niet hebben leren bedienen en beheersen. Als het schade toebrengt aan anderen, zijn we nog steeds verantwoordelijk voor die schade. We moeten die oude machine onder de knie krijgen en daarmee bezig blijven totdat we weten hoe we haar moeten beheersen.
V. Zou u zeggen dat de kamalokische toestand slechts een voortzetting is van het fysieke bestaan, in de zin dat zoveel van onze dromen dat zijn?
A. In de meeste gevallen heeft iemand die een natuurlijke dood sterft een kamalokisch bestaan dat qua tijd analoog is aan de droomtoestand die voorafgaat aan diepe slaap, maar gevoelens en begeertes, zoals afgunst, wraak, woede en lust, blijven daar achter als krachten die blijven werken nadat de mens er geen contact meer mee heeft. Hij ondervindt de gevolgen van deze werkingen wanneer hij terugkeert.
V. Zouden we het kamarupa een gedachtelichaam kunnen noemen?
A. Nee, geen gedachtelichaam; het is het residu van gedachten – het effect van gedachten op materie, of op die leventjes die de materie vormen. Elke gedachte die we hebben, versmelt met een klein leven en geeft het richting en impuls, maar hoewel dat leven op zichzelf niet bewust is, zal het de impuls die het krijgt herhalen totdat die energie uitdooft.
Een verzameling van dit soort levens zal nog enige tijd coherent blijven na de dood van het lichaam, en zelfs nadat de persoon naar devachan is overgegaan. Het kamarupa blijft bestaan nadat de persoonlijkheid het heeft verlaten, net zoals het fysieke lichaam blijft bestaan nadat de ziel het heeft verlaten; het blijft bestaan als een lichaam, leeft voort in zijn leventjes, en heeft zijn effect op andere organismen.
V. Worden we astraal werkelijk beïnvloed of bewogen door de kamarupa’s ?
A. Ze bestaan absoluut zonder enig bewustzijn of vorm van leiding, heen en weer geslingerd door elke aantrekkingskracht of afstoting. Ze hebben geen wil of bewustzijn en kunnen ons alleen beïnvloeden als we ze aantrekken door sterke gevoelens, zoals het tonen van lust, woede of afgunst.
V. Zijn de drie klassen van skandha's de leventjes op de verschillende gebieden?
A. De skandha's zijn de levens plus de impulsen die aan die levens zijn gegeven. De levens behoren allemaal toe aan degene die ze heeft ontwikkeld, en het enige wat ze kennen is de richting die ze is gegeven. Ze hebben geen keuzevrijheid; ze kunnen geen impulsen in gang zetten, maar ze alleen ontvangen. De skandha's zijn dus onze neigingen, de kwaliteit van de kracht die we hebben gegeven aan de verschillende levens op de verschillende gebieden of afdelingen van de natuur, fysiek, mentaal en psychisch. We drijven de fysieke leventjes in ons lichaam aan; we drijven de astrale tegenhangers aan die fysieke expressie mogelijk maken; we drijven de levens aan die te maken hebben met onze denkprocessen. Omdat ze door ons zijn aangestuurd, zijn ze met ons verbonden door magnetische of elektrische aantrekkingskracht, en wanneer we naar de aarde terugkeren, trekken we ze weer naar ons toe, of geven we energie aan de skandha's van de drie klassen, die, zoals we kunnen zien, de werking van verschillende klassen van karma tegelijkertijd mogelijk maken.
V. Dus de hele leer over de skandha's is louter een ander voorbeeld van oorzaak en gevolg?
A. Ja, we kunnen niets denken, voelen, zeggen of doen zonder een aantal van de oneindig kleine kleurloze levens, waarmee de hele atmosfeer overal pulseert, in een bepaalde richting te sturen. Wij zijn verantwoordelijk voor die levens omdat wij ze als dat soort leven hebben gecreëerd. Als de kracht die in onze gedachten is gestoken zeer gering was, kan de richting van korte duur zijn, maar sterke gedachten en gevoelens geven veel energie. Het totaal van deze levens is altijd aanwezig op het fysieke en astrale niveau, en wij trekken ze als een geheel naar ons terug omdat wij de scheppers en ontwerpers ervan waren.
V. Hoe komt het dat de persoon die het lichaam verlaat zijn vorige leven overziet nadat het hart is gestopt met kloppen en hij niet meer ademt, terwijl een persoon die verdrinkt hetzelfde overzicht heeft terwijl hij nog leeft?
A. Iemand die aan het verdrinken is, bevindt zich op de brug naar de dood en de duur van zijn verblijf op de brug bepaalt de omvang van de terugblik, die noodzakelijkerwijs voortkomt uit het loslaten – of het gedeeltelijk loslaten – van het fysieke leven. Hoewel de artsen misschien de dood hebben vastgesteld, denkt het brein nog steeds, zolang er nog een sprankje dierlijke warmte in het lichaam aanwezig is. Omdat men niet vooruit kan gaan, moet men teruggaan, en dus wordt de rol afgespoeld vanaf het moment van overlijden of het naderen van de dood, en leest men het verslag van al zijn gedachten, woorden, daden en indrukken vanaf het laatste moment terug naar de gebeurtenissen uit zijn kindertijd.
V. Zou deze terugblik ook plaatsvinden bij iemand die door een explosie is omgekomen?
A. Zo'n overlijden is niet voltooid. De mens leeft nog steeds fysiek, mentaal en moreel, net zoals hij leefde voordat zijn lichaam in stukken werd geblazen. Hij mist alleen zijn fysieke lichaam, net als zelfmoordenaars en geëxecuteerde misdadigers.
Al diegenen die op zo'n manier plotseling uit het leven worden gerukt, zijn in werkelijkheid niet dood; ze hebben hun voorkeuren, begeertes en passies van allerlei aard, die ze alleen kunnen bevredigen door middel van een wezen dat een fysiek lichaam bezit. Een gevolg van de doodstraf is een toename van de criminaliteit, omdat deze mensen-zonder-lichaam met hun passies het denken van mensen die al tot het kwaad geneigd zijn, stimuleren.
V. Wat is het verschil tussen het permanente en het gewone astrale lichaam?
A. Het gewone astrale lichaam is opgebouwd op basis van de skandha's, terwijl het permanente astrale lichaam tijdens het leven wordt opgebouwd uit astrale substantie, op basis van aspiraties en zelfopgelegde inspanningen, maar niet noodzakelijkerwijs uit de aardse astrale substantie. Als iemand die een permanent astraal lichaam opbouwt, toegeeft aan woede of slechte gevoelens in welke richting dan ook, dan vernietigt hij zijn bouwwerk, maar het oude uit skandha’s opgebouwde astrale lichaam blijft volledig intact. Iemand met een permanent astraal lichaam heeft nooit een kamaloka, noch een devachan, want hij weet te veel en kan niet in die toestanden worden meegezogen. Dan komt hij terug en werkt hij niet alleen met neigingen, maar ook met aspiraties, kennis en inspanningen, die permanent zijn.
V. Wat is het proces waardoor de lagere rijken worden beïnvloed door onze gedachten en aspiraties? Is het mogelijk om de levens in ons lichaam te verheffen van het dierlijke naar het menselijke niveau?
A. De levens uit de lagere rijken, die we in ons lichaam gebruiken, komen en gaan voortdurend. Zolang ze zich binnen onze invloedssfeer bevinden, worden ze door ons beïnvloed en nemen ze die indrukken mee terug naar de lagere rijken. Van daaruit worden ze weer aangetrokken door een menselijk lichaam dat soortgelijke levens in zich heeft. Sommige levens, of die welke door het goede zijn geïnspireerd, blijven op het menselijke niveau, terwijl levens die door het kwade zijn beïnvloed, terugkeren naar de lagere rijken. We lenen onze lichamen van de aarde en blijven ze voortdurend vernieuwen, zodat de levens die we met een juiste impuls inspireren, naar ons terugkeren.