DEVACHAN

De betekenis van de term. Een toestand van atma-buddhi-manas. Werking van karma op devachan. De noodzaak van devachan. Het is een andere manier van denken, zonder fysiek lichaam dat het belemmert. Slechts twee gebieden voor de werking van oorzaken: subjectief en objectief. Devachan is er één. Geen tijd daar voor de ziel. Lengte van het verblijf daar.
Wiskunde van de ziel. Gemiddeld verblijf daar is 1500 sterfelijke jaren. Afhankelijk van psychische impulsen van het leven. Het gebruik en doel ervan. Op basis van de laatste gedachten bij de dood wordt de devachanische toestand gevormd. Devachan is niet zinloos. Zien we degenen die achterblijven? We roepen hun beelden voor ons op. Entiteiten in devachan hebben de kracht om degenen van wie ze houden te helpen. Mediums kunnen niet naar degenen in devachan gaan, behalve in zeldzame gevallen en wanneer de persoon zuiver is. Alleen adepten kunnen diegenen helpen die in devachan verblijven.

V. Hebben wezens in devachan contact met elkaar?

A. Er is geen enkel contact tussen wezens in de devachanische toestand; anders zou het eerder een objectief dan een subjectief bestaan zijn. Er zou ook geen mogelijkheid zijn voor de ziel om de hemelse toestand te ervaren als er contact was met andere wezens, aangezien dergelijk contact de bron is van de meeste problemen die we hebben.

V. Is devachan dan geen egoïstische toestand?

A. Het is niet egoïstischer dan het aardse leven, maar het is de beste vorm van egoïsme die we kennen. Het is de hemel bekeken vanuit het standpunt als persoon, in overeenstemming met het persoonlijke bestaan, maar de energieën die daar worden uitgewerkt hebben betrekking op die hoge idealen en aspiraties die in het leven werden gekoesterd en wellicht werden verhinderd om tot uitdrukking te komen. In devachan, wanneer de principes die de hindernis voor hoge aspiraties veroorzaakten, zijn weggenomen, beginnen we daar als persoon aan te werken. Er is geen belemmering; we blijven functioneren volgens onze ideeën en gevoelens; we creëren onze eigen plek volgens onze verlangens.

V. Dan gaat het persoonlijke gezichtspunt niet verloren tot de wedergeboorte?

A. De persoonlijkheid wordt niet afgelegd totdat het ego uit devachan komt; pas dan neemt het Ego zijn eigen aard weer op. Het einde van de devachanische periode is het einde en de voltooiing van de persoonlijkheid.
In het geval van een kind dat sterft voordat het ego volledig verenigd is met het fysieke lichaam – vóór de leeftijd van zes of zeven jaar – kan er natuurlijk geen devachan zijn, aangezien dit in werkelijkheid na het vorige leven zou zijn uitgewerkt. Een dergelijk Ego trekt zich terug in zijn eigen toestand in afwachting van omstandigheden voor wedergeboorte.

V. Wat bepaalt de lengte van iemands verblijf in devachan?

A. Entiteiten worden in devachan gehouden door de kracht van hun gelukzalige toestand; ze hebben geen enkele reden om die te verlaten; alleen wanneer de kracht van hun levensaspiraties is uitgeput, komen ze daaruit tevoorschijn. Dit geldt voor de meeste wezens, maar als een entiteit met een sterk en zuiver karakter deze toestand betreedt met de wens om op aarde in een lichaam te helpen, kan hij uit zijn slaap worden gewekt om een lichaam aan te nemen, door adepten wier taak het is om dergelijke diensten te verrichten. Deze adepten zijn wezens die vrij zijn van alle illusies en zelf niet in de devachanische toestand verkeren, maar in staat zijn om bewust te handelen op alle gebieden van bestaan. Daarom kunnen zij, en zij alleen, daadwerkelijk in contact komen met wezens in devachan.

V. Zou u zeggen dat er in de devachanische toestand geen contact is met het werkelijke Ego, voor zover het dit fysieke gebied betreft?

A. Het fysieke gebied heeft geen enkele invloed op de devachanische toestand, hoewel, net zoals kamaloka overal is, is devachan ook overal. Hoewel we spreken over komen en gaan naar devachan alsof het een kwestie van ruimte en afstand is, kunnen er devachanische wezens zijn precies waar wij nu zijn. Maar omdat ze niet tot dit gebied behoren, storen ze ons niet en storen wij hen niet. De bestanddelen van het astrale gebied variëren, net als de bestanddelen van onze aarde en de andere fijnere elementen dat doen. De fijnere aard en het fijnere element van devachanische lichamen zouden hier kunnen zijn zonder enig nadeel te ondervinden of zonder enige invloed van de grovere elementen van het kamalokische gebied op te pikken.

V. Als we ons tot de devachanische toestand zouden kunnen verheffen, zouden we dan zeker bij onze geliefden kunnen zijn die zijn heengegaan?

A. We zouden dan in dezelfde trillingstoestand moeten verkeren als zij en ongetwijfeld iets van hun gelukzaligheid ervaren, aangezien hun gelukkige dromen ons zouden insluiten. De kracht van de liefdesband kan niet worden beperkt. In onze nachtelijke overgang naar diepe slaap, op het gebied dat overeenkomt met hun devachan, gebeurt er zoiets– de herinnering daaraan wordt tot leven gewekt in dromen.

V. Stel dat twee mensen die in het leven boven alles van elkaar hielden, kort na elkaar stierven; zouden zij dan niet daadwerkelijk contact met elkaar kunnen hebben?
A. Twee verwante zielen zullen elk hun eigen devachanische belevingen uitwerken. Elk zou de ander laten delen in zijn subjectieve gelukzaligheid, maar elk is gescheiden van de ander wat betreft daadwerkelijke wederzijdse omgang. Welke kameraadschap zou er kunnen zijn tussen puur subjectieve entiteiten? Het feit dat ze kort na elkaar sterven, heeft geen betrekking op devachan, waar het element tijd geen rol speelt; daar is elk gevoel van tijd verdwenen. De dood van de een kan natuurlijk de ‘wil om te leven’ van de ander die nog op aarde is, verzwakken en zijn vertrek bespoedigen.

V. Maar als degenen in devachan niet naar de aarde terugkeren, zoals de heer Judge in het hoofdstuk stelt, wat is het dan dat wordt gezien tijdens seances en geïdentificeerd als de overleden persoon?

A. Het is niet het Ego; geen enkele gematerialiseerde vorm is de vorm van de geest die er aanspraak op maakt. Al zulke vormen zijn slechts elektromagnetische figuren – slechts reflecterende oppervlakken – gemodelleerd naar beelden die in het astrale licht worden gezien, en opgebouwd uit materiaal dat soms afkomstig is van kamarupische resten, en voornamelijk bestaat uit de vitale krachten van het medium en de aanwezige deelnemers. Seances zijn, zo kan worden geconcludeerd, zowel fysiek als mentaal vol gevaar voor de deelnemers.

V. Er lijkt de laatste jaren een grote heropleving te zijn van de belangstelling voor dit soort ‘spirituele’ communicatie – deels indirect, via mediums, en deels direct, via het ouijabord.
Is het waarschijnlijk dat men op deze manier kennis kan verwerven?

A. Absoluut niet. Alleen al de psychologie die in dit hoofdstuk over devachan kan worden gevonden zou moeten aantonen hoe dwaas het is om enig vertrouwen te stellen in ‘spirituele’ communicatie, direct of indirect. De hedendaagse communicaties via mediums vertoont dezelfde onwetendheid, hetzelfde gebrek aan consistentie en waarde als de communicaties in het laatste kwart van de negentiende eeuw. We zoeken tevergeefs naar enige kennis van principes en wetten die toepasbaar zijn op het dagelijks leven; we zoeken tevergeefs naar enige rechtvaardiging voor een bestaan dat voortduurt, los van het fysieke lichaam.
Wat betreft de zogenaamde directe communicaties via het ouijabord, waarbij de deelnemer zichzelf natuurlijk tot een passief medium maakt (het duistere en gevaarlijke aspect van deze praktijk), hoeven we ons alleen maar een analogie voor te stellen om de absurditeit ervan duidelijk te maken. Stel dat het in uitzonderlijke gevallen mogelijk zou zijn voor een persoon in de waaktoestand om te communiceren met iemand die aan het dromen is, dan zou het ontvangen verslag niets anders zijn dan de visioenen van de dromer en zou geen kennis verschaffen over de toestand of ervaring van andere dromers. Degenen die het individuele spirituele stadium zijn binnengegaan, bevinden zich buiten het bereik van welke mediums dan ook, en degenen die zich nog in het persoonlijke astrale stadium bevinden, kunnen beter met rust worden gelaten door malafide bemoeials. Het is volkomen zinloos om te proberen communicatie met ‘dromers’ tot stand te brengen in de hoop kennis te vergaren over toestanden na de dood. 

V. Welke voorziening zou er dan gelden voor mensen die geen specifieke overtuiging hebben met betrekking tot de ‘hemel’, geen specifieke gehechtheid aan mensen of levensdoelen, maar van nature uiterst welwillend zijn?

A. Zij zouden snel door de kamalokische toestand heengaan naar hun hemel, waar het formuleren van abstracte ideeën en het beredeneren van algemene principes hun gedachten zouden vullen.

V. Heeft de ziel deze specifieke periode nodig om uit te rusten of om te assimileren?

A. De ziel van iemand die voortdurend ervaringen heeft opgedaan in het leven, zonder de kans om te assimileren, heeft behoefte aan rust na al zijn wederwaardigheden en aan vrijheid van tegenstand zoals devachan dat biedt met het oog op assimilatie. Maar het is niet voor iedereen noodzakelijk om een devachan te hebben. Sommigen kunnen hun ervaringen ook hier assimileren, en dat is de betere manier. In feite zou iemand die geen rust wenst, maar liever in de wereld voor zijn medemensen werkt, geen devachan kunnen hebben. Hij vindt zijn rust in zijn werk, en hoe meer soorten werk hij onderneemt, hoe meer rust hij krijgt.

V. De bron van kracht is dus het fysieke lichaam?

A. De bron van kracht ligt nu absoluut binnen ons bereik. Nadat we het fysieke lichaam hebben afgelegd, gaat de oude persoonlijke machine nog steeds door. Eerst wordt het slechte er als het ware uitgefilterd, en dan hebben we het goede over. Wanneer dat goede is uitgeput, keren we weer terug naar het fysieke leven. In devachan zijn we beperkt tot één toestand; in het fysieke leven kunnen we in eender welke hemel of hel zijn.

V. Wanneer we 's nachts gaan slapen, gaan we diepere toestanden binnen – de toestanden van ons werkelijke wezen. Waarom zouden we dan bij de dood van het lichaam naar de devachanische toestand moeten gaan?

A. Elke nacht gaan we, evenals naar ons werkelijke wezen, door de tussenliggende toestanden van kamaloka en devachan, in een intensievere mate. Het is een onderbreking voor het Ego van aardse waarnemingen, maar niettemin blijft het Ego verbonden met het aardse leven en het fysieke lichaam. De inspanning tijdens het fysieke leven is die van het Ego. De geboekte vooruitgang is de oogst van het Ego. Het is in het aardse leven dat hij zijn keten van oorzaken tot stand brengt. De persoonlijkheid is slechts het veld waarin het Ego werkt. Tijdens het leven is er een afwisselend komen en gaan voor het Ego door de slaaptoestanden, maar bij de dood van het lichaam is er een lange periode die als het ware alle persoonlijke toestanden van het laatst geleefde leven opruimt, en een beperking van de gevolgen inhoudt.
De persoonlijke gedachten moeten worden uitgewerkt, en pas als devachan is uitgeput, komt het Ego weer in zijn eigen toestand terecht en weet het wat er zal voortkomen uit het verleden. In het leven komt het elke nacht in die spirituele toestand terecht, zijn eigen werkelijke aard. De verbinding tussen lager en hoger manas moet tijdens het leven in een lichaam tot stand worden gebracht; op geen enkel ander moment is dat mogelijk. Na de dood moeten alleen de gevolgen die op natuurlijke wijze voortvloeien uit het laatst geleefde leven tot hun essentie worden uitgewerkt, en hierbij wordt het Ego weerhouden van zijn eigen werkelijke aard, die hij echter, voordat hij terugkeert naar het aardse leven, voor een tijdje weer opneemt.

V. Wat wordt bedoeld met het herstel van ‘zijn eigen werkelijke aard’ tijdens diepe slaap?

A. ‘Zijn eigen werkelijke aard’ is de spirituele, goddelijke aard, die alle ervaringen, vermogens en kennis van het gehele verleden omvat. Dat is de aard van de ‘vervolmaakte’ mens, voor wie er geen onderbreking is in het bewustzijn van het ene gebied naar het andere, voor wie zijn werkelijke aard de altijd aanwezige realiteit is. Terwijl voor ons het bewustzijn voortdurend en op verschillende manieren werkzaam is, identificeren we ons met het voertuig of instrument van elke toestand en gaan we niet bewust van de ene naar de andere over.

V. Is het bij het verlaten van devachan dat het vorige bestaan de voorwaarden voor een nieuwe geboorte schept?

A. Niet noodzakelijkerwijs. Het overheersende effect van het karma van een bepaald leven waarin we terechtkomen, kan afkomstig zijn uit een half dozijn vorige levens, waarvan het karma nog niet was opgebruikt.

V. Blijven de skandha’s bestaan over meer dan één incarnatie heen?

A. Ze bestaan, waar ze ook van gemaakt mogen zijn, van de ene incarnatie naar de andere, en behoren altijd tot het gebied van incarnatie. Ze vormen de verwezenlijking en de essentie van alle neigingen. Sommige neigingen die we in vorige levens hebben ontwikkeld, hebben misschien geen kans gehad om zich te uiten, maar we hebben ze wel. Overal waar kwaad of neiging tot kwaad van welke aard dan ook in het menselijk ras voorkomen, bezit ieder mens in dat ras de kiemen van dat kwaad en heeft alleen de omstandigheden nodig om ze te laten ontkiemen. Als we scherpzinnig genoeg zijn om de aard van deze dingen te zien, kunnen we de omstandigheden voor het ontkiemen ervan voorkomen.