DIFFERENTIATIE VAN DE SOORTEN — ONTBREKENDE SCHAKELS
DE UITEINDELIJKE oorsprong van de mens is niet te achterhalen. De mens stamt niet af van één enkel paar, noch van de dieren. Zeven menselijke rassen verschenen gelijktijdig op aarde. Ze zijn nu vermengd en zullen zich differentiëren. De mensapen. Hun oorsprong. Ze zijn afkomstig van de mens. Ze zijn de nakomelingen van een onnatuurlijke verbintenis in de derde en vierde ronde. De achtergebleven rassen. De geheime boeken over deze kwestie. De menselijke trekken van apen verklaard. De lagere rijken van andere planeten. Hun differentiatie door intelligente tussenkomst van de dhyani's. Het middelpunt van de evolutie. Astrale vormen uit oude rondes verhard in fysieke rondes. Ontbrekende schakels, wat ze zijn en waarom de wetenschap ze niet kan ontdekken. Het doel van de natuur in al dit werk.
V. Als wetenschappers het bestaan van het astrale gebied zouden erkennen, zouden ze dan geen grote vooruitgang kunnen boeken in hun onderzoek?
A. Helaas brengen de hedendaagse wetenschappers die het wel erkennen, het alleen in verband met het bestaan na de dood. Voor hen is het slechts een sentimentele overweging. Als ze het astrale gebied op een echt wetenschappelijke manier zouden onderzoeken, zouden ze heel wat waarheden ontdekken. Ze zullen, bijvoorbeeld, nooit de evolutie begrijpen, totdat ze het astrale gebied erkennen, aangezien alle ‘ontbrekende schakels’ daar te vinden zijn.
V. In welke toestand van materie beginnen de monaden uit de vorige keten aan hun werk in deze keten?
A. Ze beginnen in de eerste of hoogste toestand van de materie, maar die eerste toestand verschilt sterk van de daaropvolgende toestanden. Het is een toestand van samensmelting die hoort bij bol 1 van de aardketen in de eerste ronde en in het vroege deel van de tweede ronde. Dan begint een differentiatie. Alle natuurrijken beginnen hun werk volgens de richtlijnen die zij hadden gevolgd op de maan. De verdichting begint en bijgevolg begint hier ook de eerste verharding van de menselijke vorm.
V. Waarom vinden we fossiele overblijfselen van zoogdieren en niet van de mens?
A. De zoogdieren zijn als het ware gevangen in de verharding. Fossielen zijn de werkelijke astrale vormen.
V. Wordt ‘de wijziging van de vormen’ door de dhyani’s, waarover op pagina 153 wordt gesproken, door gedachten bewerkstelligd?
A. Zeker. Met kennis en wijsheid komt de kracht om aan een bepaalde vorm iets toe te voegen of ervan af te nemen, en dit gebeurt voornamelijk in de astrale periode van de evolutie. De natuurrijken die naar de aardketen overgaan, zouden precies blijven wat ze op de maan waren, ware het niet dat er wezens zijn die spiritueel, intellectueel en fysiek vervolmaakt zijn geworden en die de gehele evolutie begeleiden. Zij stippelen als het ware het terrein uit. De lagere natuurrijken beginnen hun werk als zodanig, zonder onderlinge verbinding en zonder contact met de hogere wezens. Ze werken allemaal voor zichzelf, op hun eigen basis.
Dan breekt het moment aan waarop het gehele evolutionaire proces in harmonie wordt gebracht via de vormen van de hogere wezens. Zodra alle rijken volledig zijn samengesmolten, volgt de verharding en het begin van de algemene aardse cyclus.
V. Worden de waarnemingsorganen gevormd door het bewustzijn?
A. Ze zouden op geen enkele andere manier kunnen worden gevormd. Ze ontstaan niet uit zichzelf. Het zijn evoluties. We moeten bedenken dat de zeven klassen wezens die de maan als een uitgewerkte planeet verlieten, voor zover het hen betrof, hun eigen organische vormen hadden en het type mensheid hebben voortgedragen. Zij vertegenwoordigden de mensheid van de maan en, gezien vanuit hun klasse, de hoogste uitdrukking van alle andere klassen. Allen bevonden zich in de fijnere staat van materie. De zeven klassen werken eerst elk op hun eigen manier, dat wil zeggen, er is een scheiding in klassen; vervolgens gaan ze, onder leiding van de hogere klassen, samenwerken, dat wil zeggen, er vindt een geleidelijke samensmelting plaats. Ten slotte komt er differentiatie van waarneming, dat wil zeggen, elk weer naar zijn eigen klasse, plus alles wat het van de andere klassen heeft verkregen. Zo vordert het bewustzijn, door contact met anderen en het verspreiden van de kennis van het geheel.
V. Wat wordt er in de laatste alinea van het hoofdstuk bedoeld met ‘anorganisch materiaal’?
A. We moeten niet vergeten dat de Meester, wanneer hij tot ons spreekt, woorden gebruikt die ons bekend zijn, termen die in wetenschappelijke kringen gangbaar zijn. Hun hele leer verkondigt dat er niets onbewust is, en materie kan alleen anorganisch zijn in de zin dat zij niet dezelfde waarnemingsorganen bezit als ander leven. Hier wordt dus niet bedoeld dat de kracht van het bewustzijn niet aanwezig is in ‘inert materiaal’, dat alleen voor onze waarneming ‘anorganisch’ is, en ‘inert’ in vergelijking met de kracht van denken en handelen die de hogere natuurrijken bezitten.
V. Is er in werkelijkheid een scherpe scheidslijn tussen het plantaardige en het dierlijke?
A. De scheidslijn kan worden waargenomen in het vermogen tot voortbeweging. Planten bewegen zich niet bewust voort. Wanneer ze in een bepaald onderdeel hun eigen voortstuwende kracht hebben, worden ze niet langer als planten geclassificeerd. Ze komen dan in het dierenrijk terecht.
V. Is er een doel in de evolutie?
A. Intelligentie reikt altijd verder en creëert haar eigen doel. Zij is haar eigen doel. En dat doel is onbereikbaar, want datgene wat zichzelf is, is onbereikbaar. We kunnen ons eigen bewustzijn nooit volledig omvatten, wat we ook zouden kunnen doen op deze of op tienduizend andere planeten.
V. Kunt u de betekenis hiervan uitleggen: “In de verscheidenheid aan karakters en vermogens die in de geschiedenis van de mens achtereenvolgens optreden, komen de verschillen tot uitdrukking die gedurende lang vervlogen tijdperken van evolutie op andere bolketens in de ego’s zijn ontstaan.”
A. Het betekent dat alle uitingen van het vermogen tot kennis, of vooruitgang, of eigenschappen, het in de mens tot uiting komen is van kwaliteiten en vermogens die al heel lang geleden zijn verworven. Het zijn omstandigheden die het tot uiting komen ervan mogelijk maken. Als we bewust waren, zoals we in feite waren, toen we aan deze aarde begonnen, moeten we al die eigenschappen die we nu bezitten van nature in ons hebben gehad. Ze zijn aangevuld en veranderd, maar de eigenschappen waren er al. We creëren eenvoudigweg de omstandigheden waarin de kwaliteiten zich kunnen manifesteren.
Laten we, in overeenstemming met dit hoofdstuk, in gedachten houden dat we de trap van zeven substantieniveaus zijn afgedaald, en dat elk substantieniveau is gevormd door de wezens die in de voorgaande substantieniveaus actief waren.
V. Wat wordt bedoeld met het moment van keuze voor de mensheid als geheel?
A. Het is het oude verhaal uit de Bijbel over de scheiding van de schapen en de bokken. In de ontwikkeling van de mensheid moet er een moment komen waarop er twee afdelingen bestaan: die van het pad van de rechterhand en die van het pad van de linkerhand, of, zoals de Geheime Leer zegt, wanneer het ene deel van de mensheid naar het noorden gaat en het andere naar het zuiden. Wezens van dezelfde soort bewegen uit zichzelf. Wanneer die scheiding komt, zijn er vele aardse cataclysmen die dienen om fysieke ontwrichtingen van de mensheid te veroorzaken, zoals het verdwijnen van oude continenten en het ontstaan van nieuwe.
Het moment van keuze bestaat voortdurend voor elk individu. Op dat moment kan hij nog elk pad inslaan, maar wanneer het algemene moment van keuze aanbreekt, kiest hij het pad waaraan hij door zijn aard en aanleg verslaafd is geraakt. We volgen voortdurend de lijn van afgescheidenheid of van eenheid, waarbij we de ene of de andere weg kiezen, en de tijd moet komen dat de verschillen tussen degenen die het rechterpad volgen en degenen die het linkerpad volgen zo groot zijn dat er geen verbinding meer tussen hen mogelijk is.
V. Op pagina 151 staat: Hiermee herhaalden de latere Atlantiërs de zonde van de ‘verstandelozen’ – deze keer met volle verantwoordelijkheid. Wat bepaalt de verantwoordelijkheid?
A. De Atlantiërs van het vierde ras waren manasische wezens, en door te herhalen wat in het derde ras door de ‘verstandeloze mensen’ was gedaan, hebben zij de volledige karmische verantwoordelijkheid op zich genomen die, zoals in het hoofdstuk wordt vermeld, in een veel latere periode dan nu zal moeten worden uitgewerkt. De massa van de mensheid zal dit karma in zijn volle kracht moeten ondergaan, maar voor individuen is er altijd de mogelijkheid om zich terug te trekken uit het massakarma, om als het ware gaandeweg onze schulden af te lossen en ons te onderscheiden van degenen die dat niet zullen doen. Als we onze plicht volledig vervullen volgens de richtlijnen die de Meesters hebben aangegeven, zal daaruit op het moment van de scheiding noodzakelijkerwijs volgen dat we niet het volledige vernietigende karma zullen ondergaan dat degenen zal treffen die de andere kant hebben gekozen. Want zij zullen worden geconfronteerd met de vernietiging van al hun werk en zullen in de nieuwe evolutie opnieuw moeten beginnen.
V. Hebben zij dan in de nieuwe evolutie niet het voordeel van hun vroegere kennis?
A. Zij verliezen het vermogen. Zij verliezen misschien niet de aanleg. Toch hebben zij het vermogen om deze aanleg te veranderen en zij krijgen hulp door het feit zij in de periode van samensmelting bij elkaar zijn gebracht met andere wezens met een andere aanleg. Wezens met de juiste eigenschappen zijn daar aanwezig en zij hebben de mogelijkheid om het voorbeeld te volgen.
V. Waarom heeft deze aarde slechts één maan, terwijl Jupiter er vier heeft?
A. Als we onder een maan een verlaten planeet verstaan, kunnen we ons een fase in de evolutie van een planeet voorstellen waarin er, om zo te zeggen, een snelle opeenvolging van geboorten plaatsvindt, waarbij er meerdere kama-rupa’s overblijven in plaats van slechts één. Onze maan is een kama-rupa van de voormalige aarde; de vier manen van Jupiter zijn eveneens kama-rupa’s.
V. Verwijst de term ‘rassen’ naar de vormen of naar de Ego's?
A. Het verwijst naar de vormen. Het bewustzijn ontwikkelt zijn eigen vorm naarmate het de noodzaak daartoe ziet en bereikt zijn eigen specifieke graad van intelligentie. Er zijn zeven graden, of hiërarchieën, van intelligentie. Naar welke hiërarchie hij neigt, hangt af van het soort evolutie dat is gekozen, of van de basis van denken en handelen door het Ego. Hij maakt in feite gebruik van alle hiërarchieën in zijn innerlijke en uiterlijke omhulsels, of lichamen.
V. Moeten we dan onze verschillende omhulsels homogeen maken?
A. Het nadenken over onze zevenvoudige natuur zou ons bij deze vraag moeten helpen. Er is geen enkele vorm van de natuur, hoe laag ook, die momenteel niet de homogene toestand in zich draagt. De homogene toestand ligt achter en binnen elke vorm. Hieruit volgt dan dat wij zelf in dat opzicht homogeen zijn, en dus in contact staan met de homogene toestand in alles in de natuur.
Juist door die homogeniteit kunnen we de natuur kennen en begrijpen, omdat we daar in contact staan met elk willekeurig punt. Alle processen in elke richting kunnen vanuit dat punt worden gevonden, of het nu gaat om die van een zon, een planeet, een plant, een dier of een mens.
V. Zou men dan kunnen zeggen dat het uiteindelijke doel van de mens het besef van zijn eigen aard is?
A. Om een uitdrukking te gebruiken, kunnen we zeggen dat ‘het uiteindelijke doel’ het besef is van de eigen onsterfelijke, eeuwige aard van de mens. We bereiken dat besef alleen door ervaring, door contact van bijna elke soort, maar we moeten inzien dat we niet de contacten zijn, noch al die contacten bij elkaar, noch zijn we de ervaring die door de contacten wordt opgedaan. De mens kan zijn onsterfelijke aard niet realiseren totdat hij inziet dat hij, als waarnemer, absoluut gescheiden is van en niet-geïdentificeerd is met alles wat hij doormaakt. Geen van deze waarnemingen is hijzelf. Hij kijkt ernaar, doet er ervaringen mee op, gebruikt ze als basis voor verdere actie, haalt er resultaten uit, goed of slecht; maar hij is geen van deze dingen.
V. U zegt dat de enige hoop voor een volk ligt in het luisteren naar de juiste ideeën? Hoe zit het dan met Rusland?
A. In Rusland hebben ze naar leiders geluisterd. Dat is het probleem daar. Een of andere leider heeft hun de eigendommen beloofd van degenen die deze nu bezitten, niet werken en eten in overvloed. Dat is wat ze wilden. Dus luisterden ze naar zijn belofte en terwijl ze luisterden, slaagde hij erin hen zo onder de duim te krijgen dat niemand van hen het waagde nee te zeggen. Ze hebben een leider nodig die weet wat het juiste is en die met ijzeren hand zal regeren in het belang van de rechtvaardige zaak. Dan zou iedereen gedwongen worden het juiste te doen ten bate van de rest. Dat is de enige manier waarop het in Rusland kan worden gedaan.
V. Zouden hoge idealen, in het algemeen gesproken, een ware energiestroom teweegbrengen?
A. Ieder mens is een onophoudelijke dynamo van voortdurend geproduceerde energie, die uiteindelijk invloed zal hebben op de aarde zelf waarop wij leven. De hersenen fungeren als een verdeler; geen enkele energie die wij in welke gedachte dan ook steken, gaat verloren, maar wordt onderdeel van de energie van de aarde. Als die energie meer wordt gewijd aan desintegratie dan aan goede en constructieve idealen, dan zal dit niet alleen leiden tot de vernietiging van de beschaving, maar ook van de aarde zelf. Er is geen scheiding tussen ons en de andere natuurrijken.
V. Wat is de betekenis van het woord ‘natuur’, zoals gebruikt door de Meester in de slotparagraaf van het hoofdstuk?
A. In deze specifieke uitspraak van de Meester, geschreven als antwoord aan een wetenschappelijk denker in India, gebruikte hij de term zoals de wetenschapper die zou gebruiken, maar volgens de filosofie geeft de natuur bewust nergens de voorkeur aan, omdat er niets is waaraan de voorkeur kan worden gegeven, en er op zichzelf geen natuur bestaat. ‘Natuur’ betekent slechts het geheel van de onderlinge afhankelijkheid en onderlinge verbondenheid van alle wezens. Het is een term voor de waarneming van de onderlinge relatie en verbinding tussen wezens en de kracht die daaruit voortkomt; het is een samenvoeging van de gevolgen van alle krachten die in beweging worden gezet door intelligente wezens van verschillende niveaus. We mogen ons dus niet voorstellen dat ‘de natuur’ iets is dat buiten de mensheid bestaat.
V. Door welk proces is bewustzijn ontwikkeld via de verschillende rassen?
A. De filosofie wijst erop dat bewustzijn niet wordt ontwikkeld; het bewustzijn is altijd. Het is intelligentie die op verschillende manieren, in verschillende graden van substantie en op verschillende gebieden van zijn, is ontwikkeld. De verworven intelligentie is een begrip van uiterlijke verschijnselen in hun relatie tot bewustzijn zelf. Na de voltooiing van de rondes van een willekeurige planeet, is de intelligentie die in elk natuurrijk is verworven wat overblijft als het type voor de volgende planeet. Deze verworven intelligentie vormt de basis van de archetypische wereld, waarin types worden uitgedrukt waarin, laten we zeggen met betrekking tot deze aarde, alle op de maan verworven intelligentie wordt uitgedrukt, waarin alle verschillende graden van intelligentie zijn vervat en bestaan voordat de wereld wordt gevormd. Wanneer de dag van manifestatie weer aanbreekt en de dageraad verschijnt, dan differentieert elke vorm van intelligentie zich en gaat voort totdat zij die toestand bereikt waarin zij zich kan manifesteren op basis van wat reeds in de voorgaande evolutie is verworven. Bewustzijn is dus het eerste, het laatste en te allen tijde de wortel van alle manifestatie. Achter elke vorm staat altijd de waarnemer. Wat er wordt geleerd met betrekking tot uiterlijke zaken of welk instrument dan ook, is de hoeveelheid verworven intelligentie, en naarmate die intelligentie toeneemt, wordt zij de basis waarop betere instrumenten worden gevormd.
V. Zijn de zeven rassen elk op zeven principes gebaseerd?
A. Zeker; alles is op zeven principes gebaseerd.
V. Werden er dan bij de vroege rassen slechts één of twee principes volledig ontwikkeld?
A. Laten we het zo bekijken. De Ego’s –atma-buddhi-manas – hebben de zevenvoudige basis in zich, maar ze werken met andere niveaus van intelligentie die lager zijn dan zijzelf. Ze bestonden als Ego’s, maar hun werk betrof de verschillende typen die hun fysieke uitingen vormden, en dat werk werd verricht op basis van de zeven principes. Ter illustratie: We hebben nu een fysiek lichaam, maar in die vroegste rassen was er geen fysiek lichaam. Wat uitgewerkt moest worden, was toen nog niet aanwezig. De principes waren in embryonale toestand, of latent, totdat de zevenvoudige basis werd toegepast op welke lichamen dan ook die tijdens het groeiproces van de wereld moesten worden ontwikkeld. Het lichaam zelf, zoals het nu is geëvolueerd en samengesteld, heeft zijn zeven indelingen en is het laagste principe.
V., Als wezens met zeven principes, waren hun lichamen dan van hetzelfde algemene type?
A. Ja, want het differentiatieproces was toen nog niet begonnen. Wanneer de differentiatie echter wel plaatsvindt, verloopt deze op een zevenvoudige wijze: het ene principe komt voort uit het andere, het ene principe volgt op het andere. Laten we dan zeggen dat er slechts één principe was, maar dat er zeven mogelijke differentiaties waren. Uit dat hoogste principe ontstond het tweede principe; uit deze twee het derde; uit het derde het vierde, enzovoort. In feite is er slechts één bewustzijn in ons allen, en is er slechts één hoogste vorm voor ons allen, die men homogene materie zou kunnen noemen; met deze twee in samenwerking gaat de zevenvoudige indeling verder.
V. Waarom verschenen de zeven rassen tegelijkertijd?
A. Er is een zevenvoudige indeling zodra differentiatie plaatsvindt. Alle klassen van Ego’s die aan het einde van de maancyclus zelfbewust waren, differentieerden zich in zeven klassen, of graden, net als alle andere klassen van wezens die met die evolutie verbonden waren. Samen vormen deze de zeven grote hiërarchieën van het zijn, die het Ego zijn zeven klassen van instrumenten verschaffen, want wij zijn via onze instrumenten met die hiërarchieën verbonden.
V. De heer Judge zegt: “Met behulp van methoden die alleen aan henzelf (de dhyani’s) en de Grote Loge bekend zijn, werken ze aan de zo overgebrachte vormen, en door hier iets toe te voegen, daar iets weg te nemen en vaak wijzigingen aan te brengen, hervormen ze door dergelijke veranderingen en toevoegingen geleidelijk zowel de natuurrijken als het zich geleidelijk vormende grofstoffelijke lichaam van de mens”. Waarom kon deze transformatie niet worden overgelaten aan de natuurlijke impuls van de rijken?
A. De differentiatie van de dieren en andere soorten begon en werd tot op een bepaald punt binnen hun ervaring voortgezet. Maar die ervaring is beperkt. Daarom is op het punt van die beperking, intelligente tussenkomst van een denkvermogen of een verzameling denkvermogens absoluut noodzakelijk, wil men oude typen vervangen door betere typen. Als oude typen zouden blijven bestaan, zou er geen externe vooruitgang zijn en zouden er geen betere instrumenten tot stand komen. Intelligentie moet actief zijn om evolutie te bewerkstelligen.
V. Vindt er nu geen intelligente tussenkomst plaats?
A. Natuurlijk wel. Hoe heeft Luther Burbank de doornloze cactus voortgebracht? Eerst vond hij een cactus met zeer weinig doornen en verkreeg daar zaden van. Van de cactus die uit dat zaad groeide, nam hij er een met de minste doornen en ging door met het uitwerken van de eliminatie van de doornen. Daar werd menselijke intelligentie op die cactus toegepast – zijn krachten werden gebruikt om een heel andere variëteit te produceren – de doornloze cactus.
De hogere wezens zijn in staat om op een andere manier met de lagere natuurrijken te werken. De vormen waarmee de mens begon, zijn niet dezelfde als die we nu hebben, maar in werkelijkheid heel anders. De fysieke gedaanten van de vroegere menselijke rassen waren aapachtig en reusachtig van omvang, maar de mens heeft er zo lang aan gewerkt dat ze zijn geworden wat ze nu zijn, in alle opzichten bruikbaarder, hoewel nog lang niet perfect.
Er is één uitspraak in dit hoofdstuk die we in het bijzonder moeten opmerken: “Zoals de mens van een andere planeet naar deze aarde kwam, al was hij toen natuurlijk een wezen met heel grote vermogens voordat hij volledig in de stof verstrikt raakte, kwamen ook de lagere natuurrijken in kiem en oervorm van andere planeten, en zetten hun evolutie naar boven stap voor stap voort, geholpen door de mens die tijdens alle perioden van manifestatie in de levensgolf voorop loopt.” Het zijn de zelfbewuste Ego’s door wiens inspanningen al deze vormen tot stand worden gebracht, voortbouwend op de basis die de vorm op de voorgaande planeet had bereikt, en met het inzicht dat verbeteringen mogelijk waren. Nadat we één huis hebben gebouwd, weten we hoe we de volgende keer een beter huis kunnen bouwen. Zo gaat de verandering door. De wezens in de lagere rijken konden hun evolutie in de voorafgaande bollenketen niet voltooien vóór de ontbinding ervan; dat wil zeggen, zij waren nog niet aangekomen in het stadium van zelfbewustzijn.
Met ‘de mens’ die zich ‘voorin de levensgolf’ bevindt, bedoelt de heer Judge de waarnemer, die aan de basis van ons wezen ligt en die ons ware zelf is. Wat we altijd in gedachten moeten houden is dat, of het nu in het minerale, het planten-, het dierlijke of het menselijke rijk is, of in de rijken boven de mens, het altijd het Ego, het ‘Ik’, is dat de drijvende kracht, de evoluerende kracht is. Deze beschouwing van de waarnemer, en de verschillende processen die hij heeft doorgemaakt, de verschillende toestanden van substantie en de daarin opgedane ervaring, vereist werkelijk een studie van ‘De Geheime Leer’ – een studie die heel anders is dan die van het fysieke of astrale lichaam, of kama-loka of devachan, die te maken hebben met het persoonlijke.
V. Is het doel van de evolutie dan het opbouwen van het fysieke lichaam?
A. Zodat de ware mens contact kan maken met de lagere vormen van de natuur. Hij zou hen niet kunnen helpen tenzij hij met hen in contact stond. En het zijn onze contacten op deze aarde die ons hier vasthouden. We vinden het prettig, en dus hebben we ervoor gezorgd dat we blijven komen en gaan.
V. Zou de mens er niet naar dienen te streven een perfect instrument te ontwikkelen en zo de lagere rijken te verbeteren?
A. De mens zou welk instrument hij ook heeft optimaal dienen te benutten, en dat kan alleen door groei van binnen naar buiten. Als we bijvoorbeeld ons gezichtsvermogen, ons gehoor en ons gevoel op de juiste manier gebruiken, kunnen die zintuigen worden uitgebreid, en kunnen we verder zien, verder horen en dieper voelen. Daar is geen specifiek soort lichaam voor nodig. Elk soort lichaam is geschikt, omdat we ermee in contact komen met de lagere natuurrijken. Het fysieke lichaam is opgebouwd uit voedsel, wordt door voedsel in stand gehouden en keert terug naar de aarde wanneer we er klaar mee zijn. Er is een voortdurend komen en gaan van en naar ons lichaam, in endosmose en exosmose, van levens die geladen zijn door wat onze gedachten, gevoelens of emoties ook mogen zijn geweest terwijl ze zich in onze invloedssfeer bevonden. Deze levens gaan over in andere lichamen en uiteindelijk weer terug naar de lagere natuurrijken, waarmee de cyclus van boven naar beneden wordt voltooid, en ze nemen de indruk mee die ze hebben opgedaan, die in het minerale, planten- of dierlijke rijk verschijnt als een weldadige of een schadelijke kracht. We kunnen de natuur dus het beste helpen door onze gedachten en gevoelens.
V. Wat is de werkelijke bepalende factor in onze gedachten en gevoelens?
A. Het motief erachter. Onze wetenschappers beseffen nu niet dat de plant bijvoorbeeld een bewust leven heeft; maar als planten en mineralen worden behandeld vanuit respect voor het leven in hen, en met gevoelens die door dat respect worden ingegeven, kan er in hen een hoger bewustzijn worden gewekt.
V. Is het een feit dat bloemen het veel beter doen bij degenen die van ze houden?
A. Zeker, dat is een feit. De impuls van het denken van het hogere wezen wordt overgebracht op het bewustzijn van de plant. Sommige mensen kunnen niet eens met planten omgaan zonder ze schade te berokkenen terwijl anderen er op een heilzame manier mee om kunnen gaan.
V. Als we volledige kennis verwerven met betrekking tot dit fysieke bestaan, zouden we dan in een hogere invloedssfeer kunnen verblijven?
A. Het doel is niet zozeer om aan deze toestand op aarde te ontsnappen als wel om deze te verbeteren, wat onze plicht en onze vreugde zou moeten zijn. Tenzij we onze eigen aard en de aard van de lagere natuurrijken erkennen, kunnen we onze plicht niet vervullen ten opzichte van onze eigen aard, noch ten opzichte van de aard van de rijken onder ons. Wanneer we deze kennis echter verwerven, creëren we een beter instrument voor onszelf en voor alle andere wezens, en dan is er geen ontsnapping meer nodig. Zoals we nu zijn, zijn we vanwege onze onwetendheid gedwongen te reïncarneren. We moeten onze relaties met andere wezens aanpassen terwijl we in een lichaam zijn, en totdat dat werk in het lichaam is verricht, zullen we naar de aarde moeten terugkeren.
We zijn hier om te helpen, en we kunnen niet helpen tenzij we de aard van de lagere natuurrijken waarin we belichaamd zijn, kennen en leren begrijpen, en die we ofwel ten goede van die rijken gebruiken ofwel voor onze eigen egoïstische doeleinden.