Nieuwsflits » Activiteiten » Publicaties » Gele reeks » Marcus Aurelius

Marcus Aurelius - Keizer en wijze

De duur van het menselijk leven is slechts een punt, de substantie ervan vloeit van het ene in het andere, de samenstelling van het lichaam is onderhevig aan bederf, de ziel een draaikolk, het geluk moeilijk te voorspellen, en faam is iets dat van verstandig oordeel is ontbloot. Om het allemaal in één woord te zeggen: alles wat tot het lichaam behoort, is deel van een stroom, wat tot de ziel behoort, is droom en damp; het leven is een voortdurend gevecht en het verblijf van een vreemdeling; de vermaardheid die na het leven komt, wordt vlug vergeten.
Wat is er dan dat de mens kan leiden? Er is er slechts een, en dat alleen – ’philosophia’.

MARCUS AURELIUS

 

Tijdens het langzaam verval van de Griekse beschaving drong haar levengevende geest door in vele facetten van het Romeinse leven en de cultuur. De samenloop van de centrale platonische bezorgdheid om concrete voorbeelden van universele deugden tot intelligente gidsen van het menselijk leven te maken, en de Romeinse tendens om een veralgemeend burgerlijk recht als de basis van de morele orde te beschouwen, kwam ten goede aan de maatschappij van Rome. Plato had de nadruk gelegd op de eenheid van theorie en praktijk, maar de Academie kon dit niet in stand houden, omdat het een voortdurend doordenken van metafysische concepten vergde en in het dagelijks leven steeds weer getest moest worden.

Het Lyceum van Aristoteles organiseerde een logica van de termen waarmee de dingen werden benoemd en klasseerde de categorieën van fundamentele bestaanselementen zover dat deductieve en empirische werkmethoden werden gemechaniseerd.

Tegelijkertijd dreef de Academie af naar een steriele uitwerking van metafysische veronderstellingen en verschillen, die nog slechts weinig te maken hadden met de ’philosophia’ - de liefde voor de wijsheid -; deze moet evenwel in de praktijk van het leven worden belichaamd. Niettemin bleven de majesteit van Plato’s wijsheid en de lichtende bronnen waaruit hij zijn inspiratie trok, door de gehele klassieke wereld heen de zoektocht voeden naar de diepste realiteiten van het menselijk bestaan.

 

Rond 300 v. Chr. begon Zeno van Citium redevoeringen te houden onder de ’Stoa poikilè’ - de beschilderde portiek - te Athene, waar de wandschildering ’De inname van Troje’, door Polygnotus van Thasos, was ondergebracht.
Zeno beriep zich op de natuurkunde van Heraclitus van Efese, die in de Logos het scheppende vuur van de menselijke rede zag; ook gebruikte hij de Megarische logica van de paradox en aan de cynici ontleende hij de kosmopolitische gevoeligheid, de liefde voor de natuur en de erkenning van de ’autarkeia’ - de eigen onafhankelijkheid - van het deugdzame individu. Achter dit alles verrees het levende portret van Socrates zoals Plato het aan het nageslacht had doorgegeven: een levendige herinnering aan een bestaan van rede en zelfdiscipline.

 

Zijn opvolger, Cleanthes van Assos, stelde de elegante ’Hymne aan Zeus’ samen, een beknopte weergave van de principes van de vroege stoa. Chrysippus van Soli, ’de tweede stichter van de stoïcijnse school’, systematiseerde de leer van de stoa rond een rigoureus concept van causaliteit. De middenstoa verhief en verfijnde de stoïsche opvattingen over de plicht en de radicale individualiteit van de kosmos.

Rond 156 v. Chr. reisde Diogenes van Seleucia naar Rome en hoewel hij, samen met alle andere Atheense filosofen, de tegenstand van Cato ondervond, gaf hij de Romeinse wereld toch een sterke stoïsche impuls die de grondslag werd van het latere sociale en politieke denken van Rome.

Onder Posidonius van Apamea deed men een beroep op de platonische gedachte om het stoïcisme te ondersteunen, en Panaetius van Rhodos toonde aan hoe dezelfde leringen konden worden toegepast op de Romeinse versie van individuele, burgerlijke en militaire deugden.

 

De latere stoa was uitsluitend Romeins. Zij wordt vertegenwoordigd door drie figuren van uiterst verschillend temperament: Seneca, minister van de grillige Nero en schrijver van tragedies; Epictetus, een bevrijde slaaf die inzag dat morele vermogens door zorgvuldige opvoeding konden worden ontwikkeld [zie nummer 4 ’Gele Reeks’]; en Marcus Aurelius, die bijna twintig jaar keizer van het Romeinse Imperium was.

Marcus Aurelius werd geboren als Marcus Annius Verus op 26 april 121 in Rome. Zijn moeder was Domitia Lucilla II en zijn vader Annius Verus. Annius stierf tijdens zijn praetorschap en zijn zuster huwde Antonius Pius, wat een Romeinse manier was om de troonsopvolging te verzekeren, en Antoninus adopteerde kort daarna Marcus Aurelius, die de titel ’Caesar’ kreeg.

Toen hij Augustus werd koos hij de naam waaronder de geschiedenis hem kent. Zijn vroege opleiding was van het type dat in die tijd voor aristocratische Romeinen gebruikelijk was, maar hij had uitstekende leraren. Op de vroege leeftijd van elf jaar was zijn voorkeur voor de filosofie reeds zeer duidelijk. Hij verzaakte aan retorica en poëzie en begon een eenvoudig en omzichtig leven te leiden.

 

Terwijl hij zich aan de studie van de rechten overgaf, nam hij de verbintenis op zich de filosofie van de stoa aan te leren en ernaar te leven. Zijn meest geliefde leraar, gekozen uit de mannen van distinctie die hij vereerde, was Junius Rusticus, een wijsgeer met veel praktisch gezond verstand die zijn raadsman bleef ook toen hij keizer werd. Zijn leraren waren terecht vermaard, en Marcus Aurelius stond wijd en zijd bekend als een voorbeeldige leerling.

Na de dood van Hadrianus in 138 besteeg Antoninus Pius de troon en regeerde met een merkwaardige rechtschapenheid. Hij verlaagde de belastingen voor de reeds overladen provincies, huldigde een energiek programma van openbare werken om Rome op te luisteren, en bouwde de <<< Muur van Antoninus in Groot Brittannië.

Gedurende zijn regering kon Marcus Aurelius de subtiliteiten van staatsmanschap en een wijs beheer aanleren en onderscheidde zich in de openbare dienst.

Toen Antoninus in 161 stierf, richtte de Romeinse senaat een verzoekschrift aan Marcus Aurelius opdat alleen hij keizer zou worden, maar hij drong erop aan dat hij de troon zou delen met Lucius Verus, de geadopteerde zoon van de overleden heerser. Zo kreeg Rome voor het eerst twee keizers.

Hoewel Verus meer belangstelling had voor een leven van plezier dan voor de administratie van het rijk, gaf Marcus Aurelius hem ten teken van goede wil zijn eigen dochter Lucilla ten huwelijk.

Verus had respect voor Marcus en liet alle belangrijke staatszaken aan hem over. In 169 stierf hij plotseling en Marcus Aurelius was dus alleen keizer, tot zijn dood in 180.

Toen Marcus Aurelius Antoninus opvolgde, werd hij toegejuicht als de keizer van een nieuwe gouden eeuw. Zijn diepe liefde voor de vrede en zijn sterk plichtsgevoel herinnerden Rome aan haar vroegere individuele en burgerlijke deugden. Maar de volksverhuizingen ten noorden en ten oosten begonnen de structurele gebreken van het Imperium bloot te leggen. Vele jaren van zijn regering moest Marcus Aurelius te velde trekken, alleen maar om de bestaande grenzen van het rijk te verdedigen.

 

Hij was net keizer geworden toen de oorlog uitbrak in Parthië, en dit werd gevolgd door Germaanse invallen in Italië zelf. Nadat hij drie jaar aan de Donau had doorgebracht, behaalde Marcus Aurelius een beslissende overwinning in 174. Het jaar daarop rebelleerde Avidius Cassius, de bekwame bevelhebber van de Romeinse legers in Asia, en verklaarde zichzelf tot Augustus. Toen Marcus Aurelius naar het oosten vertrok, werd Avidius door zijn officieren vermoord. In plaats van wraak te nemen, schreef Marcus Aurelius aan de senaat met de aanbeveling dat hij aan de hele familie van Cassius gratie zou verlenen, en daarbij betreurde hij nog dat hij niet de kans had gekregen Avidius zijn volle genade te schenken.

Zodra deze crisis was opgelost, moest hij zich alweer terug naar het Germaanse front haasten, en vandaaruit marcheerde hij naar het oosten, waar nieuwe haarden van onrust waren ontstaan. Zijn vrouw, Faustina, vergezelde hem maar overleed aan de voet van het Taurusgebergte.

Diep bedroefd en alleen gebleven, vervolgde Marcus Aurelius zijn tocht, via Syrië naar Egypte. Op zijn terugweg kwam hij door Athene en werd plechtig ingewijd in de mysteriën van Eleusis.

Terug in Rome ontdekte hij dat christenen te Lyon ter dood werden gebracht. Hij wist niets over de leringen van Jezus, maar kende wel het zelfvoldane en elitaire sektarisme van talrijke christelijke groepen. Zijn droom, een rijk op te bouwen dat een microkosmisch model van de hele menselijke gemeenschap zou zijn, werd voortdurend van buiten uit bedreigd.

Ook zag hij in dat fanatische en dogmatische christenen het bewust van binnen ondermijnden. Vanuit zijn standpunt was dit een vorm van verraad en moest het als dusdanig worden gestraft. Tijdens deze periode gebeurde het dat mensen werden terechtgesteld zonder zijn goedkeuring, hoewel hij duidelijk had gesteld dat allen die zich herriepen ongestraft zouden blijven.

In 179 was hij alweer op de noordelijke grens, waar hij eens te meer een overwinning behaalde. Maar de bijna ononderbroken oorlogen en een besmettelijke ziekte eisten hun tol. Op 17 maart 180 stierf hij in een militair kamp.

 

Hoewel hij een groot deel van zijn energie aan defensie moest besteden, vond Marcus Aurelius toch de tijd om zich bezig te houden met het lot van de armen. Hij verminderde de belastingen, voerde een beleid in van lankmoedigheid ten overstaan van veroordeelde misdadigers, en nam stelling tegen brutaliteit in de gevechten van de gladiatoren. Men erkende de wijze rol die hij had gespeeld door zijn as naar Rome te dragen en hem volgens Romeins gebruik te vergoddelijken. Commodus, zijn zoon en opvolger, liet te zijner ere in de [huidige] <<< Piazza Colonna te Rome de zuil van de Antonini oprichten. Nu staat er een beeld van de heilige Paulus op.

Vele jaren lang kregen afbeeldingen van Marcus Aurelius ereplaatsen in de huiselijke nissen die voor de penates, de familiegoden, waren gereserveerd. Zijn regering was zo mild en zo rechtvaardig geweest dat men hem in de tijd van Julianus, bijna tweehonderd jaar later, als modelkeizer beschouwde; een edel archetype om na te volgen.

In de tijd van Marcus Aurelius, die de laatste was van de grote stoïcijnse filosofen, was de lering van de stoa getest, gedistilleerd en verfijnd tot een gerijpte samenhang en was zij duidelijk gearticuleerd. De stoïcijnen vergeleken hun ethica met de vruchten van de boom der stoïsche fysica, veilig beschermd achter de muur van de stoïsche logica.

Die muur was sterk, want hij vertegenwoordigde de eerste niet-syllogistische systematische logica. Die was gebaseerd op vijf onbewijsbare maar intuïtief gezonde vormen van argument, en hield zich bezig met de geldigheid van voorwaardelijke beweringen. Verklaringen die er aanspraak op maakten een waarheid aangaande de wereld uit te drukken, moesten echter meer dan louter logisch geldig zijn.
Tenminste moesten zij duidelijk zijn en bovendien coherent met andere waarheidsbeweringen die werden beschouwd als uitingen van de ’phantasia kataleptike’ of zielswaarneminq. De stoïsche fysica was gevestigd: ten eerste op het idee van een formatieve kracht, de ’tonos’, de harmonische spanning van de ’pneuma’ of geest die alle dingen doordringt en slechts graduele, geen principiële, verschillen teweegbrengt; ten tweede op de ’hexis’, de beweging, voor wat de elementaire natuur in het algemeen betreft; ten derde op de ’physis’, de natuur, voor alles wat groeit; ten vierde op de ’psyche’, voor levensvormen begiftigd met waarneming en het begin van kennisneming; en ten vijfde op ’logos’, de zuiverste ’tonos’, voor zelfbewegende dingen.

Het hoogste brandpunt van ’tonos’ is God, identiek met Zeus, het scheppende vuur, ether, de Logos, de kosmos, wetmatigheid, lotsbestemming, en orde. Daar het universum van nature cyclisch is, het product van de ’logos spermatikos’, het levengevende woord, zijn tijd en ruimte beide dimensies van objecten.

Verandering is immanent in het uiteindelijke principe, en wet alleen verandert niet. Vanuit deze visie wordt de leidende impuls van de stoïsche ethica evident: men moet leven in harmonie met de welwillende en ordelijke ontvouwing van het universum indien men vrede en welzijn zoekt, de ’eudaimonia’, de gezegende toestand van de Ziel, die gelijkvormig met de Godheid is, daar zij tot de lichamelijke mens in dezelfde verhouding staat als het goddelijke tot de kosmos.

Voor Marcus Aurelius, die de gewezen slaaf Epictetus vereerde en diens lezingen met grote aandacht bestudeerde, lag de uitdaging niet in een meer uitgebreide ontwikkeling van de leringen der stoïsche traditie, maar in de toepassing ervan op hemzelf als individu en op de regering van een rijk, waarover de schaduwen van conflict en verval zich reeds aftekenden.

De voornaamste plicht van de stoïcijn was de verkondiging en de verspreiding van de kosmopolis: de weerkaatsing van het rationeel geordende universum in de menselijke gemeenschap. Daarom beschouwde Marcus Aurelius zich als een zoeker, niet als een wijze.

Te velde was hij er zich scherp van bewust dat het intens verwikkeld zijn in specifieke conflicten de visie van de mens op de onderlinge afhankelijkheid van het geheel kan verduisteren. Om zich die universele visie en zijn eigen verplichting steeds te herinneren, hield hij een dagboek bij van zijn dagelijkse overpeinzingen.
Marcus Aurelius had niet de bedoeling zijn gedachten naar een schema te ordenen of ze te publiceren; niettemin hebben de diepte van zijn inzicht en de toon van zijn inspiratie het leven van vijftig generaties van lezers geraakt en geroerd. Deze gedachten kennen wij als zijn ’Meditaties’ of ’Overpeinzingen’.

"Wees niet lui in het handelen, noch wanordelijk in het gesprek; laat je gedachten niet afdwalen en laat je ziel niet veroveren door innerlijke twisten of uiterlijke ontboezemingen; wees in je leven niet zo bezig dat je helemaal geen vrije tijd meer hebt…. Laat niet langer alleen je adem zich richten naar de lucht die je omringt, maar laat je intelligentie nu ook in harmonie zijn met de Intelligentie die alle dingen omhelst.
Want voor hem die het wil aantrekken, is het vermogen van intelligentie niet minder aanwezig in alle delen en niet minder doorgedrongen in alle dingen dan het vermogen van de lucht is voor hem die haar inademt.”

De dynamische structuur van de kosmos is tegelijkertijd lichamelijk en intelligent: zij berust op bezielde stof en is pneumatisch, en dit kan men volledig terugvinden in de samenstelling van de mens. De principes van menselijk gedrag kunnen uit deze allesdoordringende, levende architectuur worden afgeleid.

“Het lijkt alsof het zonnelicht uitgegoten wordt, en inderdaad, het verspreidt zich in alle richtingen maar het loopt niet verloren. De verspreiding ervan is een uitbreiding. Daarom zegt men dat zijn stralen zich verlengen. Men kan vaststellen wat voor iets een straal is, wanneer men ziet hoe het licht door een kleine opening in een donkere kamer valt: het plant zich voort in een rechte lijn en wordt als het ware slechts verdeeld wanneer het een compact lichaam ontmoet dat in zijn weg staat en de ruimte onderbreekt.

Daar blijft het licht dan staan. Het glijdt er niet af, het valt niet. Zo zou het ook moeten zijn met het uitgieten en de verspreiding van het begrip. Dat mag in het geheel geen uitstorting zijn, maar wel een uitbreiding die geen gewelddadige of onstuimige botsing veroorzaakt met de hinderpalen die op de weg liggen; ook mag het geen val zijn, maar het moet dat vasthouden en verlichten waarop het zich richt.”

Zijn kennis was niet die van de lagere machten van de wereld, maar die van de bovenhemelse Geest in elk menselijk wezen. In de Nazarener stad Cenchrea schoor hij zijn hoofdhaar af, ''wegens een gelofte". De Nazareners deden dat slechts om het op het altaar van de inwijding te offeren. Weldra begon hij te reizen door Klein-Azië, Macedonië en Griekenland om het evangelie, het goede nieuws, te onderwijzen aan de niet-joden. Hij leerde dat de oude natuur wordt afgebroken door geloof -innerlijke verlichting- en dat de nieuwe natuur verrijst in zuiverheid.

Zij die op het niveau van onze lagere natuur leven, staan toe dat hun levensbeschouwing daardoor wordt bepaald, en dat voorspelt de dood;

maar zij die op het niveau van de Geest leven, bezitten de spirituele levensvisie, en die betekent leven en vrede…. Als de Christos in u woont, en indien dan het lichaam een dood iets is omdat gij gezondigd hebt, toch is de geest het leven zelf, en zo zult ge op de juiste manier kunnen leven.

In de menselijke gemeenschap zijn de deugden of vermogens van de ziel -wijsheid, rechtvaardigheid, moed, evenwichtigheid en een zin voor het heilige- evenals de burgerlijke deugden -eerlijkheid, bescheidenheid en onpartijdigheid- gebaseerd op de nodige onthechting, die de dingen in hun juiste verhouding ziet, en op de praktische toepassing van de solidariteit.

"Kijk van boven neer op de talloze kudden mensen en op hun ontelbare plechtigheden, op de oneindig gevarieerde omzwervingen in kalmte en in stormen en op de verschillen tussen hen die worden geboren, samenleven en sterven. En denk ook aan de levens van anderen in de oude tijden en de levens van hen die na u zullen komen, over het leven van de barbaarse naties in onze eigentijd, hoe velen er zijn die niet eens uw naam kennen en hoe vele anderen hem vlug zullen vergeten; hoe ze u nu misschien prijzen en u weldra zullen afkeuren. Bedenk dat noch een postume naam, noch roem, noch iets anders van een dergelijke soort enigerlei waarde hebben. De mensen bestaan om elkaar. Probeer hen te onderwijzen of hen te verdragen…. Onderscheid in ieder mens het leidend vermogen en laat ze ook het uwe zien."

Net zoals er niets in het leven bestaat dat het individu van de wijs kan brengen, indien hij zich houdt aan een universeel uitzicht, en zijn doen en laten bepaalt door het kosmopolitische, het soevereine principe van universele verantwoordelijkheid, zo ook is er niets in de dood dat bezorgdheid rechtvaardigt.

"Hij die de dood vreest, is ofwel benauwd om het verlies van gewaarwording of hij vreest een andere gewaarwording. Maar wanneer gewaarwording ophoudt, zult ge ook geen pijn meer voelen: en indien een ander type van gewaarwording intreedt, zult ge een nieuw soort van levend wezen zijn en zult ge niet ophouden te bestaan."

De solidariteit van de mens en zijn eenheid met de natuur worden niet gewijzigd door veranderingen, die onder de werking van wet in de kosmos optreden. Zij zou ook niet door menselijke handelingen mogen worden beïnvloed.

“Wanneer je je beledigd voelt door het schaamteloos gedrag van een ander, vraag je dan onmiddellijk af of een wereld zonder dat type van mensen wel mogelijk is. Dat is het niet, en verlang dus niet het onmogelijke."

Marcus Aurelius was het voorbeeld van de centrale thesis van de stoïsche wijze van denken: dat het mogelijk is in een wereld vol moeilijkheden te bestaan, precies omdat men met die wereld onafscheidelijk is verbonden en dus ook met de creatieve intelligentie die er immanent deel van uitmaakt. Wanneer het gedrag zich afstemt op de universele principes, kan het denken zo rustig zijn als de diepten van de oceaan en de ziel zo helder als een bergmeer.

"Zoals geneesheren steeds hun instrumenten gereedhouden voor gevallen waarin hun behendigheid plots wordt vereist, moet gij ook principes ter beschikking hebben die nodig zijn om goddelijke en menselijke dingen te begrijpen en alles te doen, zelfs het kleinste, met het besef dat het goddelijke en het menselijke in een band verenigd zijn. Want gij zult in het menselijk domein niets op de juiste wijze volbrengen zonder tegelijkertijd aan het goddelijke te denken, en ook niet omgekeerd."

Dit artikel is vertaald uit ’Hermes’, Santa Barbara, Californië, Jaargang V, nummer 11, van november 1979.

In ’Theosophy’ van juli 1948, Jaargang XXXVI, pagina 418, vinden we uittreksels uit de ’Marcus Aurelius’ van Henry Dwight Sidgwick, en daarin de redevoering van de keizer tot zijn soldaten toen hij de veldtocht tegen Avidius Cassius voorbereidde; daarna zijn brief aan de Romeinse senaat en het merkwaardige antwoord. De inhoud van zijn redevoering luidde:

"Medesoldaten, er is slechts een ding waarvoor ik bevreesd ben, ja bevreesd, want ik wil u hier de volle waarheid zeggen, en dat is dat hij, Cassius, zelfmoord zou kunnen plegen om de schaamte van een ontmoeting met ons te vermijden, of dat anderen, wetende dat ik op weg ben om tegen hen op te trekken, de daad zouden volbrengen. In dat geval zal de grote prijs van een nooit geziene overwinning mij ontnomen worden.

Wat is dat voor een prijs? Het is de man te vergeven die mij kwaad heeft gedaan, een vriend te blijven voor hem die mijn vriendschap beschaamd heeft en hem trouw te blijven nadat hij zijn belofte van trouw aan mij verbroken heeft. Misschien zult ge het moeilijk vinden dit te begrijpen, maar dan zoudt ge uw ongeloof moeten laten varen.

Want alle goede dingen zijn nog niet helemaal van deze aarde verdwenen; er is in ons nog een echo van onze antieke deugden. En indien er iemand is die dit niet wil geloven, zou ik het des te sterker wensen opdat hij zou kunnen zien gebeuren wat hij voor onmogelijk hield.

Ik zou uit deze euvels tenminste enig voordeel kunnen halen indien ik de zaak in alle eer kon regelen en aan heel de wereld het bewijs leveren dat het mogelijk is rechtvaardig te handelen, zelfs wanneer het om een burgeroorlog gaat. "

(Avidius Cassius werd vermoord voordat Marcus Aurelius aankwam, en de opstand was mislukt. Het volgende is wat Aurelius aan de Romeinse senaat schreef):

"Met betrekking tot de opstand van Cassius, smeek en verzoek ik U, senatoren, alle gedachten aan straf terzijde te laten en uw aandacht te verlenen aan mijn, of liever uw, begrippen van plicht en barmhartigheid: laat de senaat geen enkel mens ter dood veroordelen.

Laat geen senator worden gestraft, laat geen edel bloed vloeien: laat de verbannenen huiswaarts keren, de vogelvrij verklaarden hun eigendommen terug in ontvangst nemen. Kon ik hen, die de straf reeds ondergingen, maar van de doden terugroepen. De straffen die een keizer oplegt aan degenen die hem kwaad hebben berokkend, worden nooit gunstig onthaald; hoe rechtvaardiger hij is, des te wreder zal men hem vinden. Wil daarom de kinderen van Avidius Cassius, zijn schoonzoon en zijn vrouw, genade verlenen. Maar waarom zou ik ’genade’ zeggen? Zij hebben toch niets misdaan! Laat hen in veiligheid leven, en weet dat zij leven onder Marcus. Laat hen leven met het patrimonium dat hun toekomt, laat ze van hun goud en hun zilver en hun kleding genieten; laat hen rijk zijn, ongestoord en vrij om te gaan waar zij willen; laat hen overal, in alle landen, dit voorbeeld van uw en mijn opvatting over het rechtmatige uitdragen.

En bedenkt zelfs, vroede vaderen, dat kinderen en vrouwen tegen verbanning te beschermen geen daad van goedertierenheid is. Daarom vraag ik U alle senatoren en ridders die van de opstand op de hoogte waren te vrijwaren van dood, verbanning, vrees, ongenade of blaam, kort gezegd van alle kwade gevolgen, en aan mijn regering de verdienste te erkennen dat de publieke opinie de dood zal goedkeuren van iedere man die in een tijd van opstand zijn leven door verraad zal hebben verloren."

(De senaat die, gealarmeerd, Cassius tot openbare vijand en zijn eigendom verbeurd had verklaard, juichte deze daad van genade met luid applaus toe.)

" Vrome Antoninus, mogen de goden U beschermen! Genadige Antoninus, mogen de goden U behoeden I Gij hebt het goede gewild, en wij hebben onze plicht gedaan. Geen geweld heeft de macht een goede regering te kwetsen.
Wij vragen dat gij in Rome zoudt blijven. In de naam van uw filosofie, uw geduld, uw geleerdheid, uw adel, uw goedheid overwint Gij uw vijanden en hen die u haten, want Gij wordt door de goden beschermd."