Wegens Corona gaan onze voordrachten online door. Meer info onder "Activiteiten".

Porphyrius - De THEÜrg

Tyrus, wat ’rots’ betekent, was de meest vermaarde stad van Fenicië. Ze was gelegen op een klein eiland, tot Alexander de Grote een golfbreker liet bouwen die haar verbond met de voorsteden op de Fenicische kust. Tyrus was een centrum van zeevaart en handel, maar ook van religie. De hoge huizen met meerdere verdiepingen - sommige zelfs hoger dan in Rome - waren gegroepeerd rond de tempel van Melkart, ’ Heer van de Stad’, (de stedengod), dezelfde als Baäl of Bel in zijn hemelse en oceanische aspecten.

In de stad Tyrus ontstond een mengsel van levenswijzen, manieren en gewoontes, omdat het gebied achtereenvolgens werd beheerst door Egypte, Assyrië, Perzië, Griekenland en Rome. Alle bezetters waren gefascineerd door het geheimzinnige Tyrische purper, dat de handen van de arbeiders kleurde en zijn dragers met de kleur van koningen sierde. De verscheidene volkeren brachten hun goden mee naar Tyrus - Apollo en Astarte, Jehovah en Adonis, Mithras en Cybele – waar overblijfselen van hun erediensten tot in de twintigste eeuw bleven voortbestaan. Algemeen bewonderd, goed versterkt door de natuur, alsook door een intense en hardnekkige defensie, bleef Tyrus tot aan het einde van de kruisvaarten een brandpunt van geopolitiek belang.

Porphyrius werd geboren in Tyrus rond 232. Hij kreeg de naam Malchus (Malik, Melech), wat in de Semitische talen van die landen ’koning ’ betekent. Men weet niets over zijn afstamming en jeugd. Antieke schrijvers veronderstelden meestal dat hij Syriër was. Het is mogelijk dat hij als jongeling kennis maakte met de pythagorische en platonische tradities, aangezien menige volgeling van die scholen in de kuststreken van geheel Klein-Azië actief was.
Als jongeling nog reisde hij reeds naar Athene en vertaalde zijn naam in het Griekse Basileus. Hij studeerde onder Longinus en liet zich door deze overtuigen zijn naam nogmaals te veranderen, ditmaal in ’Porphyrius ’, de Griekse naam voor het purper van Tyrus. Ofschoon Longinus meer letterkundige dan wijsgeer was, moedigde hij het natuurlijke, filosofische temperament van zijn discipel aan en gaf hem een ruim denken, eerbied voor de filosofische redenering, en helderheid in geschreven uiteenzettingen mee.

Het doordringend en veelomvattend intellect van Porphyrius bloeide op in de Atheense sfeer, die nog zinderde van herinneringen aan de vroegere tijd van filosofische en literaire reuzen. Toch vond hij op den duur de latere Academie saai en ongeïnspireerd: de gedetailleerde uitlegging van de teksten had de oorspronkelijke platonische regel, het wijsgerig leven in de dagelijkse praktijk toe te passen, verduisterd. De leringen van Diotima, de betekenis van de Allegorie van de grot en van de Mythe van Er waren reeds vergeten.

Toen hij dertig was bezocht Porphyrius Rome en daar leerde hij leden uit de school van Plotinus kennen, met name de toegewijde Amelius van Toscane. Het genie van Plotinus en zijn onberispelijk filosofisch karakter spraken Porphyrius onmiddellijk aan, maar zijn intellectuele eerlijkheid deed hem de leringen van Plotinus op verscheidene punten in twijfel trekken. In tegenstelling tot de toen gangbare interpretaties van Plato stelde Plotinus dat het Ene boven het Zijn staat en niet, zoals men volgens de conventies meende, dat het er identiek mee was. Verder hield deze mening ook in dat het Intellect of de Goddelijke Gedachte – de tweede hypostase van Plotinus - in zekere zin met haar objecten één is.

Eerbiedig maar stoutmoedig kwam Porphyrius zijn tegenwerpingen voor Plotinus zelf verdedigen. Plotinus scheepte hem niet af als een jonge wijsneus maar erkende integendeel zijn groot filosofisch potentieel en gaf daarom Amelius, reeds met Porphyrius bevriend, de opdracht hem de leringen duidelijk te verklaren. Na heel wat innerlijke strijd kwam Porphyrius tot de conclusie dat het Ene -'Agathon'- boven Zijn en Worden staat, een mysterie dat op zichzelf niet gekend kan worden maar aan het Goddelijk Denken voorkomt als de eerste hypostase. Vanuit dat abstracte standpunt is de wereld van het gemanifesteerd bestaan een weerkaatsing van het mysterie.

Het Intellect of het Goddelijk Denken, en zijn objecten, kunnen samen worden beschouwd als reflecties van dezelfde orde.

In een universum dat via hiërarchische reflecties geëmaneerd is, zal in filosofische termen, en ook op het gebied van de zuivere gedachte, het onderwerp (het subject) worden bepaald als de paradigmatische werkelijkheid; de daarvan afhankelijke lagere niveaus worden dan de illusoire reflecties van dat paradigma. Maar wanneer men geconfronteerd wordt met Dat wat onkenbaar blijft, worden alle gebieden van filosofisch gesprek gezien als relatief tot elkaar en illusoir in relatie tot Dat.
Porphyrius schreef een gedetailleerde herroeping van zijn vroegere meningen, las ze aan Plotinus voor en werd toegelaten tot de school.

 

Plotinus heeft zelf geen stelselmatige uiteenzetting van zijn filosofie geschreven. Wanneer dringende en steeds weerkerende vragen oprezen tijdens zijn bijeenkomsten met kleine groepen volgelingen schreef hij een antwoord en liet dit rondgaan in de privékring van zijn meest vertrouwde discipelen. Toen Plotinus de leeftijd van negenenvijftig jaar bereikte, de periode waarin Porphyrius zijn leerling werd, bestonden er van deze verhandelingen reeds eenentwintig. Porphyrius en Amelius drongen er bij Plotinus op aan dat hij zijn gedachten op papier zou zetten, en Porphyrius nam de taak op zich ze uit te geven. Tijdens de volgende zes jaren schreef Plotinus nog vierentwintig verhandelingen over een ruime keuze aan onderwerpen, waaronder de eenheid van het transcendente Ene, het potentiële en het actuele, de ziel, het gezichtsvermogen, getallen, geluk, eeuwigheid en tijd, geheugen en de soorten van bestaan. Porphyrius wijdde zich aan de opgave de gedachten van zijn meester te begrijpen en na te gaan hoe zijn intellect elke kwestie benaderde. Plotinus bereikte in extatische meditaties herhaaldelijk vereniging met het Ene, en Porphyrius, die naar hetzelfde streefde, is erin geslaagd zijn Meester tweemaal te volgen op het pad dat de wereld van de gemanifesteerde vormen achter zich laat en het onuitsprekelijke rijk boven de paren van tegenstellingen verovert.

Zoals allen die het geestelijke pad volgen, heeft ook Porphyrius zich bevonden op de rand van de afgrond, waarin alle betekenis verloren schijnt, de wereld als een ondraaglijke last overkomt en het rijk van de geest een leegte is. Op een avond, toen Porphyrius op het punt stond zelfmoord te plegen, verscheen Plotinus, die de ellendige toestand van zijn leerling had aangevoeld; hij beval hem naar Sicilië te gaan om tot rust te komen.

Eenmaal los uit de intensiteit van de sfeer rond Plotinus herwon Porphyrius zijn beslissingskracht en zijn vooruitzichten, en Plotinus zette zijn onderricht voort door hem nog negen verhandelingen te sturen. De fysieke scheiding werd aldus vergezeld door een geestelijke hereniging met het denken en voelen van de leraar. Maar later betreurde Porphyrius ten zeerste dat hij bij de dood van Plotinus afwezig was geweest.

Daar Plotinus hem de taak had toevertrouwd zijn werken uit te geven en te verspreiden, haastte Porphyrius zich terug naar Rome, nam het bestuur van de school op zich en organiseerde de verzamelde geschriften van zijn meester in de prachtige Enneaden. Hij was nu zelf leraar geworden en presenteerde in zijn 'Sententiae' bepalingen van de voornaamste stellingen van de neoplatonische beweging. Hij schreef een schitterende geschiedenis van de wijsbegeerte, die twee eeuwen lang het tekstboek van de filosofische studies werd.

In zijn 'Brief aan Anebo' stelde hij vragen bij de praktijk van de waarzeggerij, en in zijn ‘De antro nympharum' beschreef hij de betekenis van filosofische allegorieën.
'De abstinentia' behandelt het verzaken van vlees en richt zich tegen het offeren van dieren. Zijn volumineuze weerlegging van christelijke aanspraken op uiteindelijke waarheid en doctrinale perfectie was machtig genoeg om de volle woede van de groeiende kerk op hem te concentreren. Dit werk werd in het openbaar verbrand, eerst door Constantijn en later door Theodosius, hoewel Constantijn schreef dat het boek niet zozeer tegen de religie als tegen de leringen van de gevestigde clerus was gericht.

De levensbeschrijvingen van Pythagoras en Plotinus uitgezonderd, viel zijn geschiedenis van de wijsbegeerte hetzelfde lot ten deel.
In zijn 'Isagoge', een commentaar op de 'Categorieën' van Aristoteles, scheidde hij de logica van de metafysica. Daardoor maakte hij het mogelijk, zelfs in de dagen van religieus dogmatisme, metafysische stellingen te onderzoeken (in plaats van gewoon te geloven) en stelde de vragen die het eeuwenlange debat over het probleem van de 'universele waarheden' opnieuw deden oprijzen.

De levensbeschrijvingen van Pythagoras en Plotinus uitgezonderd, viel zijn geschiedenis van de wijsbegeerte hetzelfde lot ten deel.
In zijn 'Isagoge', een commentaar op de 'Categorieën' van Aristoteles, scheidde hij de logica van de metafysica. Daardoor maakte hij het mogelijk, zelfs in de dagen van religieus dogmatisme, metafysische stellingen te onderzoeken (in plaats van gewoon te geloven) en stelde de vragen die het eeuwenlange debat over het probleem van de 'universele waarheden' opnieuw deden oprijzen.

Op een later tijdstip van zijn leven stierf een van zijn vrienden. De echtgenote, de filosofe Marcella, bleef achter met vele jonge kinderen. Porphyrius schreef haar om haar in haar toewijding tot de wijsbegeerte aan te moedigen en hoewel hij zelf de ongehuwde staat verkoos, trouwde hij toch met haar opdat zij beschermd zou zijn en haar kinderen een pythagorische opvoeding zouden krijgen. Hierin volgde hij het gebruik van de Essenen, die hij bewonderde en over wie hij schreef:

Zij verachten het huwelijk, maar aanvaarden de kinderen van anderen en brengen hun in hun prille jeugd de disciplines bij die er hun levensgezellen van maken.

De eigen jeugd van Porphyrius, zijn levenservaringen en zijn filosofische overpeinzingen hadden hem ervan overtuigd dat vele klassen van zichtbare en onzichtbare wezens het universum vulden, maar hij waarschuwde tegen bijgeloof, aanbidding van demonen en thaumaturgie. Pas toen Jamblichus hem aantoonde dat de wortel van het oude Egyptische en Chaldeeuwse esoterisme de ware theürgie of geestelijke transformatie bevatte, kon hij zich met de magische zijde van het neoplatonisme verzoenen.

Tegen het einde van zijn leven, rond 306, had Porphyrius een zo sterke basis aan de plotiniaanse traditie verschaft, dat Eunapius op het einde van de vierde eeuw kon schrijven: "de werken van Plotinus zijn onder welopgevoede burgers meer verspreid dan die van Plato zelf."

Plotinus werd om zijn leringen vereerd, en de verdienste van Porphyrius de gedachten van zijn leraar te hebben verduidelijkt, werd ten volle erkend, "alsof Hermes een keten voor de verlossing van de mens had neergelaten." Tijdens zijn leven en na zijn dood waren de christelijke schrijvers zijn onverzoenlijke vijanden en toch prezen zij het hoogstaand karakter van zijn denken en leven.

Voor Augustinus van Hippo was hij ’de edele wijsgeer’; voor Eusebius 'de wonderbare theoloog’ en ’de grote profeet’; en voor Simplicius ’de meest geleerde onder de filosofen’.

In de filosofie van Porphyrius staat de aandacht voor de ethica centraal. In de 'Sententiae’ stelde hij dat de drie hypostasen - het Ene, het Intellect of de Goddelijke Gedachte, en de Ziel - niet lokaliseerbaar zijn en niet onderworpen aan specifieke voorwaarden. Het zuiver intelligibele Zijn is noch hier noch daar. Er een plaats aan te geven of het in direct verband met iets te brengen staat gelijk aan het te verkleinen.

Wanneer zelfkennis deel wordt van het individuele bewustzijn gaat zij verloren, wordt de persoon van zijn eigen wezen vervreemd en blijft verwarring en zelfbegoocheling over. (1) Het Zijn kan echter slechts in schijn verminderd worden en het ware filosofische leven bestaat in het voortdurend pogen de illusie van afgescheidenheid van het Ene of het essentiële Zelf te overwinnen. Vereniging met het Ene is mogelijk door zelfdiscipline, eerst door in gedachten en daden een leven te leiden dat ermee in harmonie is en verder door zelf-bewustzijn en zelf-kennis, die uiteindelijk tot de realisatie van het Zelf leiden. (2)

De deugden zijn vermogens van de verknechte ziel, opgeroepen om het web van illusies, waardoor zij wordt gebonden, weg te snijden. Deugden zijn aldus verschillend in soort en dienen tot verschillende doeleinden op de weg terug naar onze eigen natuur. 'Politieke' of burgerlijke deugden versterken matigheid en bevrijden ons van al te grote gehechtheid aan het lichaam, de meest concrete expressie van een metafysisch verkeerd besef van afgescheidenheid.

' Cathartische' of louterende deugden bevrijden de ziel van iedere vorm van gehechtheid en laten haar toe zich op natuurlijke wijze naar het Goede te wenden, wat ook voor haarzelf het goede is . 'Contemplatieve' of theoretische deugden zijn de ontwakende intellectuele energieën van de ziel en 'paradigmatische' of archetypische deugden zijn die van de Goddelijke Gedachte of het Intellect, waarnaar het individuele intellect opkijkt als naar modellen. Zij die het ernstig menen met het filosofische leven en de geestelijke belofte die het inhoudt zullen het meest begaan zijn met de louterende deugden, want indien deze in dit leven worden beoefend, zullen de overige als vanzelf in een ander bestaan volgen.

Aangezien illusie ontstaat wanneer eigenschappen van het lichamelijke worden toegeschreven aan het niet-lichamelijke Zijn, is loutering de eerste voorwaarde voor zelfkennis.

Wij moeten ons daarom ontdoen van onze menigvuldige gewaden, zowel van de zichtbare en vleselijke bekleedsels als van die waarmee we innerlijk zijn omhuld en die als het ware vlak onder onze huid liggen; wij moeten het stadion der Olympische Spelen van de ziel naakt binnengaan.

Het verzuim de deugden te ontwikkelen kan een verdere vermindering van ons wezen teweegbrengen, wat allegorisch te vergelijken is met reïncarnatie in symbolisch geschikte dierlijke vormen. Porphyrius laat echter met uiterste zorg opmerken dat er wel een diepgaande overeenkomst is tussen menselijke en dierlijke zielen -beide staan immers in verband met de derde hypostase- maar dat menselijke zielen tot intellectuele ontwaking zijn gekomen en niet naar de dierlijke toestand kunnen teruggaan.

De mens echter die voorzichtig is, bedacht tegen de betoveringen van de natuur, die de essentiële eigenschappen van het lichaam overzien heeft en weet dat het werd aangepast om een instrument van de ziel te zijn, zal eveneens beseffen dat de hartstocht steeds klaarstaat om, of we het willen of niet, met het lichaam een verbond aan te gaan zodra iets het van buitenaf treft en de zo veroorzaakte trillingen tot de waarneming doordringen. Want waarneming is als het ware een antwoord op dat wat de waarneming veroorzaakt.
Maar de ziel kan niet antwoorden, tenzij zij zich helemaal tot het geluid zelf bekeert en haar kritische blik op de trilling werpt. Kortom, het irrationele deel is niet bekwaam te oordelen in hoeverre, hoe, waarom en wat het voorwerp van de aandacht zou moeten zijn, daar het zelf onbezonnen is.
Het is als een stel paarden zonder wagenmenner: hier gaat het bergaf, daar opzij, het bezit het vermogen niet zichzelf te besturen te midden van de dingen die tot het uiterlijke behoren. Het kent ook niet de gepaste tijd, of de maat van het voedsel dat nodig is, tenzij het oog van de wagenmenner er zich op richt en de irrationele bewegingen beheerst.

Zonder hem is dit deel van de ziel essentieel blind. En hij die de rede toestaat haar meesterschap over het irrationele op te geven en zich erdoor te laten meevoeren, het de vrije teugel te geven, zo iemand geeft zich over aan begeerte en aan toorn en laat de paarden gaan waar zij willen. De waardige mens zal daarentegen zo handelen dat zijn daden met de leidende rede overeenstemmen, en dit zelfs wat de energieën van het irrationele deel betreft.

In 'De antro nympharum' -De grot van de nimfen - leerde Porphyrius dat alle authentieke mythen, zoals de beschrijving die Homerus geeft van de Nimfengrot te Ithaca, rijke allegorische mijnen van antieke wijsheid zijn en identiek met de ware filosofie. De juiste interpretatie openbaart de betekenis die in de mythe verscholen ligt en voegt er niet aan toe, want de mythen laten eeuwige waarheden doorschemeren binnen het kader van de plaatselijke ruimte en tijd. De mythe kan de moeilijkheid vermijden de waarheden van een niet-lichamelijk gebied uit te drukken in de taal van het concrete bestaan.

Zoals men over de slaap slechts kan spreken in de taal van het wakend bestaan maar hem slechts kan kennen door ervaring, zo kan het inzicht van de extatische meditatie alleen maar worden uitgedrukt in een taal van gewone, zintuigelijke en intellectuele ervaring, maar om de waarheid van dat inzicht te kennen of te weten moet men het zelf beleven. De mythe bouwt een brug van begrip tussen deze verschillende gebieden zonder de bestudeerder met een woordenvloed te misleiden.

Toen Firmus Castricius, een discipel van Plotinus en metgezel van Porphyrius, zijn vegetarisch dieet opgaf, schreef Porphyrius zijn 'De abstinentia', om hem van alle soorten dierenslachting af te brengen. Hij herinnerde aan de morele hervormingen van Apollonius van Tyana en Plotinus en betoogde dat, hoewel het vegetarisch dieet voor sommige naturen ongeschikt zou kunnen zijn, het van kapitale waarde was voor iemand die op het geestelijk pad stond: de vitale en psychische energieën van het genuttigde dieet zouden de gehele aard van de verbruiker beïnvloeden.

Abstinentie ingegeven door eerbied voor het leven van de dieren zet ons aan tot groter respect voor het menselijk leven, en men moet toegeven dat de inferioriteit van denken en voelen in dieren niet de totale afwezigheid van die vermogens betekent.
Zoals Carneades (3) beweerde, moet het natuurlijk doeleinde van het bestaan van een wezen een voordeel zijn voor dat betreffende wezen en niet voor een ander. Een vegetarisch dieet is een voorbeeld van de ontwikkeling der louterende deugden en een navolging van het oorspronkelijke 'gouden ras' van geestelijk ontwaakte mannen en vrouwen.

Want wie zal niet inzien dat de rechtvaardigheid door abstinentie wordt gediend en gesterkt. Hij die zich onthoudt van alles dat bezield is, en zelfs als hij zich ook onthoudt van dieren die niet tot de waarde van de samenleving bijdragen, zal veel meer opletten om de leden van zijn eigen soort niet te kwetsen.

Offers van dieren werden in de tijd van Porphyrius gebruikt om het eten van vlees te rechtvaardigen. Zoals Apollonius veroordeelde Porphyrius deze gewoonte en liet opmerken dat de oudste offeranden bestonden uit vruchten, koeken en wierook. En hij bepaalt de aard van de filosofische offerande:

Voor de goden is het meest uitmuntende offer inderdaad dat van een zuiver intellect en een tot rust gekomen ziel.

Van de meest praktische zaken tot de meest abstracte redeneringen, steeds weerklinken de leringen van Porphyrius met tonen van ethisch besef en mededogen. Voor hem is de scheiding van het Ene een onnodige en onnatuurlijke, hoewel begrijpelijke toestand die slechts door edele opvattingen en moedige toepassing in strenge zelfdiscipline kan worden geheeld. Hij wilde de mens meer en meer van zijn banden met de lagere wereld bevrijden:

Want hier gelijken we op mensen die in een vreemd land aangekomen zijn en er weer uit moeten vertrekken: we zijn van onze oorspronkelijke intieme vrienden gescheiden, worden bezoedeld door barbaarse passies en onderworpen aan onbeschaafde wetten. Bovendien geschiedt dit alles met ongehoorde kracht.

Daarom moet hij, die naar zijn eigen vrienden en verwanten zou willen terugkeren, niet slechts met een opgewekt gemoed de reis aanvangen, maar om behoorlijk te worden ontvangen, moet hij zien hoe hij zich kan ontdoen van vreemde smetten en zich herinneren wat hij had vergeten, want anders zullen zijn vrienden en verwanten hem de toegang weigeren. En zo, indien we van plan zijn naar ons eigen rijk terug te gaan, zullen we alles moeten afleggen dat van sterfelijke aard is, en zelfs de genegenheid die wij ervoor voelden en die de oorzaak van onze neergang was; we zullen ons de herinnering aan die eeuwige en gezegende essentie te binnen moeten roepen en onze terugkeer verhaasten naar dat wat zonder kleur of hoedanigheid is. Daarbij moeten we ernstig pogen twee dingen te volbrengen: ten eerste, dat we erin mogen slagen het stoffelijke en het sterfelijke van ons af te wenden, en ten tweede, dat we opnieuw met onze soortgenoten in gesprek mogen komen door naar hen op te stijgen in de richting tegengesteld aan onze afdaling.

 

Omtrent de Wijze, van wie het hart gericht is op het Zelf, in rust en van gehechtheid aan begeerten vrij, vindt men het beeld gebezigd: 'gelijk een lamp, die voor de wind beschut, niet flikkert'.

Krishna in de Bhagavad-Gita, VI,19.


Dit artikel is vertaald uit het tijdschrift 'Hermes', Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U. S.A., Jaargang V, No 10, van oktober 1979.

Voetnoten:

(1) Waarschijnlijk betekent deze zin, in de ons meer vertrouwde theosofische terminologie, dat zelfkennis zeer bedrieglijk is wanneer zij gecentraliseerd wordt in lager manas, het breindenken.

(2) Dit wanneer het juiste standpunt van Hoger Manas in het breinbewustzijn wortelschiet.

(3) Carneades was de stichter van de nieuwe of derde platonische Academie in Athene. Hij leefde van 214 tot 129 v. Chr.