Nicolaas van Cusa

'Aangezien het goddelijke in ons niet nutteloos en tevergeefs is,    dienen we te weten dat we hieromtrent onwetend zijn. Indien we dit volledig leren beseffen, zullen we beloond worden met 'geleerde onwetendheid'.
Want niets bereikt de mens meer, zelfs de meest ijverige, dan al studerende zichzelf gekarakteriseerd te weten als

zeer geleerd te zijn in de onwetendheid.’ Iemand is meer geleerd naarmate hij meer weet over zijn eigen onwetendheid.'

De docta ignorantia

Nicolaas van Cusa

Inleiding

Op de drempel van de middeleeuwen en de nieuwe tijd werd de man geboren van wie we de doopceel zullen proberen te lichten in dit deeltje van de GLT-reeks.

Een man voor wie onze belangstelling alleszins gerechtvaardigd is. Een man met een geniale intuïtie, die in zijn werk reeds veel heeft neergelegd, dat pas na hem door de grote natuuronderzoekers op grond van nieuwe waarnemingen als exacte theorie is geformuleerd. In zijn gedachten zijn zoveel kiemen van de moderne geestelijke ontwikkeling vervat, dat hij door velen als de eigenlijke grondlegger van de nieuwe filosofie wordt beschouwd. We hebben het over Nicolaas van Cusa.

Nikolaus Cryfts of Chrypffs (wat kreeft betekent) werd in Kues aan de Moezel geboren en werd daarom ook bekend onder de namen: Nikolaus von Kues, Nikolaas van Cusa en verder nog Nicolaus Cusanus -de Cusaan-. Wij zullen hem in ons verhaal kortheidshalve Cusanus noemen. Deze achtervoegsels aan zijn naam zijn wel nodig, omdat het door de gehele geschiedenis heen wemelde van vele Nicolazen.

Allereerst vele vorsten en andere hoogwaardigheidsbekleders zoals pausen, maar ook vele niet-vorstelijke personages zoals, in alfabetische orde, Nicolaas (N.) van Andrecourt (1350), N. van Damascus (64 v. Chr.), N. van Flüe (1417-1487), N. van Myra (vierde eeuw, onze eigen Sinterklaas), N. van Oresme (1320-1382), N. van Tolentino (1245-1305), N. de Tuschedis (1386-1445), N. van Verdun (+/-1150-1200) en vele anderen.

Nicolaas van Cusa -Cusanus dus- werd in 1401 in Kues geboren en stierf in het jaar 1464 te Todi. Hij was een zoon van Henne Krebs, eigenaar van enige schepen en een wijngaard, niet onbemiddeld dus, een soort middeleeuwse middenstander.

Alvorens we ons bezig gaan houden met Cusanus als persoon, zijn jeugd, opleiding en verdere levensloop, is het misschien goed eerst eens de schijnwerper te richten op het tijdsgewricht en de omstandigheden waarin Cusanus zou leven. We nemen daartoe maar een flinke aanloop voor onze ruwe schets van het Europa van de late middeleeuwen in de overgang naar de nieuwe tijd -de vroege Renaissance-.

Tenslotte nog een opmerking. We hebben aan ons verhaal twee appendices toegevoegd, namelijk een lijstje van Duitse keizers en koningen, en een lijstje van pausen die allen min of meer te maken hadden met het beschreven tijdperk.

 

Het Europa van de veertiende en vijftiende eeuw

De veertiende eeuw, die voorafging aan de eeuw waarin Cusanus zou leven, was een eeuw die was geboren voor smart. We volgen Barbara Tuchman in haar boek 'De waanzinnige veertiende eeuw'.

‘In de eerste twintig jaar vonden achtereenvolgens vier onheilspellende gebeurtenissen plaats: de aanslag op paus Bonifatius VIII door agenten van de koning van Frankrijk, Filips IV (de Schone),
de verhuizing van de pauselijke residentie naar Avignon, de vervolging van de tempeliers en de opstand van de Pastoureaux
(de ‘schaapherders’ en boeren) in Frankrijk.

De strijd tussen Bonifatius en Filips ging over het heffen van belastingen. Tegenover de macht van Filips stelde Bonifatius de macht van de kerk. In de pauselijke bul ‘Unam Sanctam’ (1302) stelde hij:

 ‘Voor de zaligheid is het noodzakelijk dat ieder menselijk wezen onderworpen is aan de hogepriester van Rome.’

Filips de Schone nam dit niet en riep een synode bijeen om te oordelen over de paus, die hij beschuldigde van ketterij, sodomie, simonie, tovenarij, moord en ander gedrag, passend in deze categorie.

De paus, niet geïmponeerd, vaardigde op zijn beurt een ex-communicatiebul uit, wat Filips weer aanzette tot het gebruik van geweld. In 1303 namen agenten en handlangers van de koning, samen met antipapistische Italiaanse troepen de paus gevangen. Na drie dagen werd de zesentachtigjarige Bonifatius bevrijd door burgers van Agnani; maar de schok was voor de oude man te groot geweest. Hij stierf een maand later.

Het indirecte gevolg van deze 'misdaad' was de verhuizing van de pauselijke residentie naar Avignon, in 1309, waarmee de ‘Babylonische Ballingschap’ aanving. Dit geschiedde omdat onder de invloed van Filips, Clemens V werd gekozen. Hij was aartsbisschop van Bordeaux en Gascogner van afkomst.

Gedurende zijn pontificaat is hij nooit in Rome geweest, volgens één lezing omdat hij bang was voor de wraakzuchtige Italianen, volgens een andere lezing omdat hij een Franse maîtresse onderhield, de beeldschone gravin van Périgord, dochter van de graaf van Foix.
In beide gevallen was dit voor hem voldoende reden om niet naar Rome te gaan.
Daarna werd Avignon een wereldlijke staat onder de zes Franse pausen die elkaar opvolgden, vol overdadige pracht en praal, culturele trekpleisters en ‘simonie’, het handeldrijven met geestelijke ambten. Clemens bijvoorbeeld was een uitmuntende voorganger van die pauselijke maffia.

Hij sloot een verbond met Filips en beiden plunderden er lustig op los. Hij beroofde de bankiers van Lombardije, vervolgde de joden, daarbij oppassend dat ondanks dat de handel niet werd lamgelegd, en stelde de tempeliers in staat van beschuldiging onder pressie van Filips. Het doel was de beschikking te krijgen over de enorme rijkdommen van deze arrogante orde van kloosterridders.

Clemens bevestigde zo op gewelddadige wijze zijn macht, die zich ook uitstrekte tot de bisschoppen en monniksorden.

Opmerkelijk is dat de orde der franciscanen zich hieraan, zo goed en zo kwaad als dit ging, probeerde te onttrekken. Voorbeelden hiervan zijn Roger Bacon (zie GLT-reeks, boek IV, aflevering 5 N.v.d.Vert.) en Willem van Occam. In dat opzicht stonden de franciscanen al op een scheiding tussen staat en kerk.

De pausenopvolgers van de 'arme vissers uit Galilea' waren thans ‘beladen met goud en purper’ zoals Petrarca het uitdrukte.

Johannes XXII, een paus met de gave van Midas, die heerste van 1316 tot 1334, bracht uit Damascus veertig stuks goudlaken mee met een waarde van 1276 florijnen (florijn, van Florence; een munt met +/- 3,5 gram aan goud). Ook op de kleding van zijn gevolg was hij niet bepaald zuinig, hij besteedde daaraan zo'n 7000-8000 florijnen per jaar. Zijn opvolgers Benedictus XII en Clemens VI bouwden het grote paleis te Avignon, uitkijkend op de Rhône.

Ook in het profane (adellijke) leven was het een kwestie van het in stand houden van relaties en (mee-)delen in de macht. Huwelijken waren de fundering van en voor de verhouding tussen de staten alsook tussen de adellijke families, de voornaamste bron van grondbezit, soevereiniteit en bondgenootschap en het punt waar de middeleeuwse diplomatie om draaide.

De relaties van de landen en de wetgevers werden helemaal niet bepaald door de normale grenzen of gezamenlijke belangen maar door de connecties tussen de dynastieën en de onmogelijke familierelaties, waardoor bijvoorbeeld een Hongaarse prins kroonprins van Napels en een Engelse prins pretendent voor de troon van Castilië kon zijn.

De Valois van Frankrijk, de Plantagenets van Engeland, de Luxemburgs van Bohemen, de Wittelsbachs van Beieren, de Habsburgers van Oostenrijk, de Visconti's van Milaan, de huizen van Castilië en Aragon, de hertogen van Bretagne, graven van Vlaanderen, Henegouwen en Savoye waren allen verstrengeld in een netwerk waarbij de belangen van huwelijkskandidaten en plaatselijke bevolkingen werden genegeerd.

 

Het Heilige Roomse Rijk (der Duitse natie)

Binnen het Heilige Roomse Rijk had het Schisma minder verdeeldheid teweeggebracht omdat de toestand daar al zo chaotisch was dat het niet erger kon. Karel IV had voor zijn dood, uit voorzorg, zijn oudste zoon Wenceslas tot koning van Bohemen laten kronen en hem alvast tot opvolgend keizer benoemd; maar ook dat had geen orde en eendracht opgeleverd. Dat kwam omdat Karel het bewind van de keizerlijke gebieden had verdeeld over de broers van Wenceslas, en verder een oom en een neef. Elk van deze figuren had zo zijn eigen belangen. Ook heerste er spanning tussen de huizen Wittelsbach en Habsburg; de twintig vorstendommen waren weerspannig en de steden, op de bres voor hun privileges, sloten zich aaneen tegenover de edelen. Kortom, er heerste een pure anarchie waarover niet te regeren viel.

Wenceslas IV was achttien jaar oud toen hij in 1378 op de troon kwam. Hoewel hij een goede opvoeding had genoten en Latijn, Frans, Duits en Tsjechisch had geleerd, was hij geen type die zijn naaste omgeving gezag kon opleggen. Wenceslas was een tragische, tot ondergang gedoemde figuur die uit de kronieken te voorschijn komt als half clown en half demon.

Zijn bewind had onder meer de opstand der hussieten tegen de kerk tot gevolg en ook de opkomst van het Tsjechisch nationalisme.
Dat is dan ook de reden waarom Wenceslas zowel door de Duitse kroniekschrijvers als door de kerkelijke autoriteiten werd verguisd.

Wenceslas stond bekend als een dronkaard en een onverdraagzame en opvliegende figuur. Twee jaartallen willen we noemen. In 1389 vond tijdens zijn regering een pogrom plaats. Een joods kind wierp een steen naar een priester die op paaszondag een processie leidde die door de joodse wijk van Praag trok. Het tumult dat hierdoor ontstond had tot gevolg dat de bevolking de straat op kwam en vervolgens drieduizend leden van de joodse gemeente afslachtte.

Na een klacht van de overlevenden van het pogrom bij Wenceslas verklaarde hij de slachtoffers tot hun verbijstering zelf schuldig en legde hun een boete op. Een ander incident was zijn botsing met de kerk.

Vicaris-generaal Johan van Nepomuk kreeg van de aartsbisschop van Praag opdracht een bepaalde abt te benoemen. Dit nu was tegen de zin van Wenceslas. Johan van Nepomuk en zijn assistenten werden gevangen genomen en gemarteld (ook door Wenceslas zelf).

Wenceslas die deze zaken verborgen wilde houden, boeide Johan van Nepomuk aan handen en voeten en liet hem vanaf een brug in de Moldau werpen. Dit geschiedde in 1393. Van de ware achtergronden is niet veel bekend. Johan van Nepomuk werd later als martelaar heilig verklaard en uitgeroepen tot patroon van de biechtvaders en beschermheilige van alle bruggen (!)

Tenslotte werd het gedrag van Wenceslas een aantal vooraanstaande edelen te bar en in het jaar 1400 slaagden zij erin hem als keizer af te zetten ofschoon hij wel koning van Bohemen bleef. Hij was een dolende in de duisternis van de tijd.

De al eerder genoemde opstand der hussieten, die hun leerstellingen aan Wyclif (1328-1384) een Engels kerkhervormer ontleenden, zou leiden tot de eerste stap op weg naar de hervorming die honderd jaar later zou plaats vinden.

Een dramatisch hoogtepunt van die opstand was de dood van Jan Hus, de leider, die in 1415 op de brandstapel ter dood werd gebracht.

Indirect leidden deze toestanden ook tot de dood van Wenceslas die er een hersenbloeding aan overhield, waaraan hij in 1419 overleed.

Tot zijn opvolger benoemden de keurvorsten Ruprecht III van de Palts, een oprecht en ontwikkeld man, die de universiteit van Heidelberg had opgericht maar die totaal ongeschikt bleek om te regeren. Hij stierf in 1410 en de keurvorsten, die het weer eens onderling oneens waren, kozen twee koningen: Sigismund en Jobst van Moravië. Daar Wenceslas zelf nooit officieel afstand had gedaan waren er nu een tijdlang drie Duitse koningen, terwijl er toen ook drie pausen waren.

Sigismund werd na de dood van Jobst in 1411 de enige vorst op de Duitse troon en zou daarop zo'n zevenentwintig jaar vertoeven. Hij wijdde zijn krachten aan het bijleggen van de crisis in de kerk, het Westerse Schisma. Hij riep het concilie van Konstanz (1414-1418) bijeen en het was op dit concilie dat Jan Hus (1370-1415) ter dood werd veroordeeld nadat deze de steun van Sigismund had verloren.

Een en ander leidde de periode in van geestelijk verval van het rijk. Tegen het eind van de regeringsperiode van Sigismund vielen de westelijke delen van zijn rijk in Lotharingen toe aan Bourgondië. Deze hertogen, een zijlijn van de Valoisdynastie, verwierven (deels door huwelijken en koop) Frans Vlaanderen, Franche-Comté, de Duitse rijkslenen Namen, Brabant, Limburg, Henegouwen, Holland, Zeeland en Luxemburg.

In 1437 stierf keizer Sigismund. Na een korte regeerperiode van Albrecht II van Oostenrijk, waardoor het Habsburgse huis aan de macht kwam (en die macht eeuwenlang zou behouden), werd Frederik van Stiermarken tot Duitse koning gekozen. Hij besteeg de troon in 1440 als Frederik III en werd in 1442 te Aken gekroond.

Zijn regering van 1440-1493 is de langste in de geschiedenis van het Duitse keizerrijk.

Hij werd als laatste Duitse koning door de paus tot keizer gekroond. Hij was tamelijk begaafd in de praktijk van het dagelijks bestuur.

Behalve met intriges in Oostenrijk had hij te maken met aanvallen van de Tsjechen, Turken en Hongaren.

De leuze van Frederik III, A.E.I.O.U. (Austriae Est Imperare Orbi Universo, Oostenrijk is bestemd om over de hele wereld te regeren), heeft pas later de inhoud gekregen van een imperialistisch programma van de Habsburgers. In het Duits werd de leuze vertaald met 'Alles Erdreich Ist Oesterreich Untertan', aan Oostenrijk is de hele wereld onderworpen.

Tot zover de nogal uitvoerig uitgevallen schets van het tijdperk in staatkundige zin van het Heilige Roomse Rijk waarin Cusanus zou leven. Maar hoe was het nu gesteld met het geestelijk en filosofisch klimaat en leven in die tijd? Ook hiervan lijkt een schetsmatig beeld op z'n plaats om Cusanus in de juiste ‘setting’ te plaatsen.

Het is duidelijk dat men leven en werken van elke afzonderlijke denker slechts dan juist kan verstaan, wanneer men de samenhang met de grondtrekken van de maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling in het oog houdt; immers het wijsgerig denken voltrekt zich niet in een luchtledige ruimte, maar in de maatschappelijke omgeving en in de historische atmosfeer.

Het geestelijk en filosofisch klimaat in de overgangstijd.

We vinden hierover een korte schets van Hans Joachim Störig in zijn ‘Geschiedenis van de filosofie’.

'Reeds in de late scholastiek zelf waren gedachten naar voren gekomen en eisen geuit, die men als kiemen en kenmerken van haar ondergang en als voorboden van een grote geestelijke omwenteling kan duiden.

Het programma van Roger Bacon(zie GLT-Reeks)van een wetenschap en een wijsbegeerte die, met afwijzing van elke andere autoriteit, uitsluitend op onmiddellijke ervaring en waarneming van de natuur is gegrond, is de trompetstoot die het geweldige drama van de ontplooiing van de moderne Westerse natuurwetenschap inleidt.'

De tijd breekt hiermee aan waarin het wezen van deze overgangstijd wordt gekenmerkt door de volgende karaktertrekken:

  1.  Individualisme, de hoge waardering van de vrije persoonlijkheid
  2.  Vrije bestudering der antieken, zonder theologische verbanden en doeleinden
  3.  Ratio en empirie, een wetenschap gegrond op de rede en ervaring
  4.  Wereldlijkheid, secularisatie, het niet-kerkelijk karakter van het denken.

De gehele draagwijdte en de volle omvang van de omwenteling die de middeleeuwse maatschappij ten val bracht en er iets nieuws voor in de plaats bracht, kan men pas beseffen wanneer we de gehele cultuurhistorische ontwikkeling in ogenschouw nemen.

Cusanus heeft hier zeer zeker aan bijgedragen en het wordt dus hoog tijd dat we hem voor het voetlicht brengen.

Leven en streven van Nicolaas van Cusa (Cusanus)

 

Cusanus werd dus zoals gezegd in Kues (Lt. Cusa) geboren, een plaats aan de Moezel op circa zestig kilometer van Trier in de richting Bernkastel. Van zijn jeugd is maar weinig bekend, behalve dan een bewaard gebleven verhaal dat de ‘boekenwurm’ die Cusanus was maar moeilijk een roeiboot van zijn vader kon hanteren. Zijn vader werd hierom zo driftig dat hij op een dag Cusanus overboord werkte met een klap van een roeispaan. De plaats waar dit op de Moezel gebeurde, wordt nog steeds de ‘Schmeissgraben’ genoemd. (Een zéér vrije vertaling zou kunnen luiden: gooigracht of -water).

Het voorval geeft al aan dat hij meer een studiehoofd dan een kwajongen was. Graaf Theodorik von Manderscheid nam het beschermheerschap op zich van Cusanus. De graaf nam hem onder zijn hoede en zond hem naar de school van de broeders van het gemene leven te Deventer. In de jaren 1416-17 studeerde hij wijsbegeerte te Heidelberg en tot 1423 canoniek recht te Padua, waar hij promoveerde.

In diezelfde periode studeerde hij ook wiskunde. In 1425 ging hij theologie studeren in Keulen bij Heymeric van de Velde. In 1448 werd hij kardinaal en in 1450 bisschop van Brixen (Bressano). In 1458 kreeg hij een functie aan de pauselijke curie.

Na deze vogelvlucht over het leven van Cusanus als student en geleerde, keren we weer terug naar het begin, naar Deventer. De school van de broeders van het gemene (= gewone) leven had als bron van inspiratie Jan van Ruusbroec [Gele Reeks Boek V, nr. 1] en Meester Eckhart [Gele Reeks Boek, IV, nr. 9.] Het is dezelfde school die als leerlingen Erasmus en Thomas a Kempis [Gele Reeks Boek V, nr. 5] zou krijgen.

Het was in deze tijd dat dissidente kardinalen genoeg kregen van het meervoudig pausdom. Zij kwamen in Pisa bijeen om een oplossing te zoeken. Zij zetten de paus te Rome, Gregorius XII en de paus te Avignon, Benedictus XIII af en kozen te Pisa, paus Alexander V. Deze stierf binnen een jaar waarop dezelfde groep kardinalen Johannes XXIII tot opvolger koos; een slimme politicus die niet wars was van kuiperijen en volop had gelobbyd (om een modern begrip te hanteren). Dit gemanoeuvreer en gekonkel drong door tot het kerkvolk en de bevolking en gaf voeding aan de reeds aanwezige wereldse opvattingen en gevoelens.

Voor Cusanus was dit een tragedie. Hij verliet Deventer en schreef zich in aan de universiteit van Heidelberg. Hij verbleef aldaar toen een nieuw concilie te Konstanz bijeenkwam (1414-1418). Het concilie dat de pausen afzette, zoals hierboven beschreven. Gedurende twee jaar leidde het concilie van Konstanz de kerk, pogingen ondernemend om enkele hervormingen door te voeren en koos tenslotte Martinus V tot paus in 1417.

Cusanus, we vermeldden het al kort, studeerde af in Heidelberg (1416) en ging in deze woelige tijden naar de meest beroemde universiteit van Italië te Padua. Hier ontmoette hij briljante professoren in de wiskunde, astrologie, Oudgriekse cultuur en kerkelijk recht. De geneesheer van FIorence, Paolo Toscanelli gaf hem les, werd een vriend voor het leven en was bij zijn doodsbed zo’n veertig jaar later.

Na het bestuderen van de inzichten en standpunten van Aristoteles en Averroës verwierp Cusanus deze voor een rijker platonisch perspectief. In 1423 verkreeg hij de hoogste graad in kerkelijk recht en werd benoemd tot 'decretorum doctor', (verg. decretalen: serie pauselijke wetten). Na een bezoek aan Rome keerde hij terug naar het Rijnland en meldde zich aan bij de universiteit van Keulen.

De aartsbisschop benoemde hem tot zijn assistent, gaf hem een toelage en benoemde hem tot kanunnik van de kerk St. Simeon in Trier. Cusanus was nauwelijks aan zijn functie begonnen toen er een conflict ontstond tussen een paltsgraaf uit het college dat de keizer koos en een priester. Kardinaal Orsini kwam als pauselijk afgezant om dit geschil bij te leggen. Tussen de zestig documenten die handelden over deze kwestie was er één van Cusanus. Getroffen door het inzicht en de rechtvaardiging van de opvatting van Cusanus in deze kwestie, werd Cusanus door Orsini uitgekozen om hem te dienen als persoonlijk secretaris.

Toen de aartsbisschop van Trier stierf brak er een dispuut los over de vraag wie de opvolger moest worden. Uiteindelijk stelde het kapittel van de kathedraal zich achter iemand van de Von Manderscheid familie, maar de paus benoemde een ander tot aartsbisschop. De leden van het concilie brachten de kwestie voor het concilie van Basel. Cusanus reisde hiernaartoe om te pleiten voor de belangen van zijn pleegfamilie. Tijdens zijn verblijf in Basel ontmoette hij de voorlopers van de Italiaanse Renaissance en ontdekte hij handschriften van Tacitus' Annalen (I-VI) en enige komedies van Plautus.

Ofschoon hij de zaak waarvoor hij in Basel was verloor, bleef hij nog enige maanden in die stad en bereikte bevredigende compensaties  voor de Von Manderscheids. Maar wat belangrijker is, hij presenteerde zijn eerste boek ‘De Concordantia catholica’ aan het concilie. Daarin stelde Cusanus, in overeenstemming met de deelnemers aan het concilie, dat de paus niet het alleenrecht had om kerkelijk recht te scheppen. Hij stelde onder andere: ‘de autoriteit van de tot stand gekomen kerkelijke wetten, hangt niet alleen van de paus af maar van een gemeenschappelijk akkoord.’

In zijn argumentering dat alle legitieme bisschoppen gelijk zijn aan de bisschop van Rome, verkondigde hij een basisregel van het politieke beginsel.

'Aangezien mensen van nature vrij zijn dient elk bestuur, of het nu gebaseerd is op geschreven wetten, of belichaamd in een heerser, uitsluitend voort te komen uit overeenstemming en instemming van diegenen die hieraan onderworpen worden.'

Met het oog op het duidelijke morele verval in de kerkelijke hiërarchie, territoriale conflicten tussen de edelen en de groeiende onverschilligheid voor heilige zaken bij de bevolking zag Cusanus niets in pogingen om eenheid te bereiken door middel van macht. Harmonie als te bereiken doel moest werkelijk universeel zijn, zoals de titel van zijn boek suggereert.

Hij vond ook de tijd om zich bezig te houden met de problemen rond de juliaanse kalender die toen in zwang was. De equinoxen (dag- en nachteveningen) bewogen zich tegengesteld door deze kalender in een tempo van een week per negenhonderd jaar. In 'De reparatione calendarii' stelde hij voor dit probleem op te heffen door het weglaten van een schrikkeljaar, eenmalig elke 304 jaar. Hoewel dit probleem ook al eerder door Roger Bacon was geanalyseerd duurde het toch nog tot 1582 voordat de gregoriaanse kalender de juliaanse verving.

De voorstellen van Cusanus in deze werden weliswaar met weinig enthousiasme ontvangen, maar als neveneffect groeide toch het respect voor hem.

Bovenop zijn vorige benoemingen werd hij ook gekozen als deken van de Mariakerk te Oberwesel en eveneens als deken van de Floriankerk te Konstanz en hoofd van het kerkelijk college te Münstermaifeld. Intussen had hij tot tweemaal toe een leerstoel in het canoniek recht aan de Leuvense universiteit geweigerd

Cusanus begon te twijfelen aan het nut en de waarde van concilies die steeds meer afdwaalden van fundamentele kerkhervormingen en overhelden naar bittere confrontaties met de paus. Toen paus Eugenius IV het initiatief nam voor een poging tot hereniging van de Griekse en Latijnse kerken stelde Cusanus verschillende ontmoetingsplaatsen in Italië voor.

De Griekse reactie was goedgunstig maar het concilie stond op Basel als ontmoetingsplaats, een plek die duidelijk ongeschikt zou worden bevonden door de Griekse delegatie. Dit kleinzielig gedrag ergerde Cusanus die in de onderhandelingen een kans zag voor het herstellen van de christelijke eenheid. Hij sloot zich aan bij de minderheid die Italië prefereerde.

Het concilie verkoos in 1439 paus Felix V maar dreef af naar een steeds slechter functionerend orgaan dat tenslotte 'verdampte' in vergetelheid.

Cusanus verliet Venetië met de vloot die de Griekse delegatie naar Italië zou brengen. In Constantinopel trof Cusanus de Grieken aan die aan de ene kant verlangend waren zich met het westen te verenigen om te overleven, maar aan de andere kant aarzelend met het oog op het gecompliceerde conflict om de autoriteit tussen paus, concilie en de diverse heersers. Cusanus' geduldige en vakkundige diplomatie overtuigde hen. In 1437 verliet hij Constantinopel met de kern van de Griekse kerk, inclusief de Byzantijnse keizer Johannes VIII Palaeologos, de patriarch Jozef II, de primaat van Rusland en patriarchen en bisschoppen van elke grote stad uit deze gebieden.

De bijeenkomst vond plaats op 6 juli 1439 te Florence.

Cusanus had grote verwachtingen van deze bijeenkomst -‘Het werk van de Heilige Geest is eenheid en vrede’- maar het feitelijke resultaat was matig en van korte duur. De paus bleef zijn strijd met het concilie voortzetten terwijl het Byzantijnse keizerrijk afbrokkelde onder de druk van het gulzige Ottomaanse rijk.

Cusanus bleef hard werken aan de eenheid van de kerk ondanks de zwakke pauselijke autoriteit. Uit waardering benoemde Eugenius IV hem tot kardinaal ‘in petto’ (lett. ‘in de borst’, iets achterhouden of verzwijgen), waarna paus Nicolaus V dat in de openbaarheid bracht door hem het kardinaalschap te schenken over San Pietro in Vinculi en hem te benoemen tot bisschop van Brixen (Bressano).
Cusanus' landslieden waren hierover zeer verbaasd omdat er nog maar weinig Duitse kardinalen benoemd waren. Cusanus werd overal enthousiast ontvangen als ‘Cardinalis Tentonicus ‘.

In het jaar 1450 werd Cusanus benoemd tot pauselijk afgezant (legatus e latere) voor de Duitse staten en de Lage Landen. Hij reisde er lustig op los, overal allerlei zaken regelend, hervormde de kloosterorden en organiseerde beraadslagingen op diverse niveaus.

In 1452 ging hij naar Brixen alwaar zijn passie voor kerkhervormingen een uitlaatklep vond.

Hij was geschokt toen hij bemerkte dat de kloosters weinig meer waren dan bordelen en zich land toe-eigenden als vorm van belastingbetaling.

Toen hij een liederlijke abdis wilde vervangen, die zelfs van de basisregels van haar orde geen idee had, zocht deze de steun van de Oostenrijkse aartshertog Sigismund. Deze stelde een legertje ter beschikking in ruil voor land maar Cusanus hield stand en weigerde te capituleren.

 Het conflict verscherpte zodanig dat Cusanus gevangen werd gezet. Zijn standvastigheid dwong Sigismund om tot een redelijke overeenkomst te komen, maar Cusanus zou de vruchten van zijn inspanningen niet plukken. Zijn oude vriend en medehervormer Aeneas Sylvius besteeg de pauselijke troon en riep Cusanus aan zijn zijde.

Werkend in Rome ondernamen Pius II en Cusanus fundamentele kerkhervormingen maar de tijd en de stemming waren tegen hen. Wanneer Pius II buiten de stad verbleef, regeerde Cusanus als 'vicarius-generalis' -de tijdelijke autoriteit van het pausschap- met groot succes.

Door zijn positie raakte Cusanus ook betrokken bij pogingen om de medewerking van de Noord-Italiaanse edelen te verkrijgen teneinde de hussitische tweedracht in Bohemen tot een einde te brengen. Tussen de bedrijven door studeerde hij nog steeds. Hij maakte studies van de basis van de islam en probeerde zich voor te bereiden op de mogelijke consequenties van de dreigende Ottomaanse invallen (meer speciaal na de val van Constantinopel in 1453, en de volledige ineenstorting in 1457).

Op weg naar Ascona voor een verdere verzoeningspoging met Bohemen werd Cusanus ziek te Todi. Na een ziekte van drie weken stierf hij op 11 augustus 1464. Cusanus had zich op zijn geheel eigen wijze voorbereid op zijn levenseinde.

 Met de financiële middelen, die hij zijn eigendom kon noemen, stichtte hij in Kues een ziekenhuis voor drieëndertig behoeftige oudere mensen om hen tot het eind van hun leven te kunnen verzorgen. Bovendien reserveerde hij een kamer voor de afstammelingen van de Von Manderscheids. Ook zijn omvangrijke, waardevolle bibliotheek werd aldaar geïnstalleerd, die er tot op de huidige dag nog steeds aanwezig is.

Zijn lichaam werd begraven in de San Pietro in Vinculi maar zijn hart wordt bewaard voor het altaar in zijn hospitaal te Kues.

De immense energie die Cusanus wijdde aan de kerkhervormingen, op elk niveau, verduisterde niet zijn filosofische helderheid noch zijn subtiele mystiek. Voor hem gold dat

'Bewustzijn altijd de Goddelijke Eenheid dient te zoeken, terwijl dit streven broederlijke harmonie als doel moet kiezen.'

Cusanus’ geestelijk nalatenschap

H.J. Störig noemt, onder andere, als belangrijke wijsgerige denkers van de aanvangende Renaissance in chronologische volgorde: Cusanus (1401-1464), Giordano Bruno (1548-1600), Francis Bacon (1561-1626) en Jacob Boehme (1575-1624).

Cusanus, Bruno en F. Bacon kan men ongeacht de grote verschillen toch rangschikken onder het begrip: overgang van middeleeuwen naar de nieuwe tijd. Jacob Boehme, minstens huns gelijke, moet worden ondergebracht in de reeks: Meester Eckhart, Tauler en Luther.

Professor De Rijk zegt over Cusanus: ‘Nicolaas probeerde de beste gedachten te puren uit denkers als Albert de Grote, Thomas van Aquino, Bonaventura en Raymundus Lullus (zie GLT-Reeks boek IV, aflevering 8, N.v.d. Vert.) Voor de richting van zijn denken is echter het middeleeuws platonisme van beslissende invloed geweest.

In het universum ontvouwt en contraheert zich volgens Nicolaas van Cusa de goddelijke Zijnsvolheid zowel in de soorten en individuen alsook in de onderlinge relaties der dingen. God is als het ondeelbaar middelpunt der wereld (het absolute minimum) overal aanwezig, als oneindige uitgestrektheid echter (het absolute maximum) nergens (in ruimtelijke zin).  De menselijke ziel bevat het levende beeld Gods en de mens zelf is de ‘wereld in het klein’ (microcosmos). Het menselijk kenvermogen bereikt pas in de vereniging met God zijn voltooiing.

Op rationeel-logisch vlak kan er, wanneer het de oergrond der dingen betreft slechts sprake zijn van een niet-weten (docta-ignorantia). De rationeel-logische tegenstellingen moeten worden getranscendeerd en vallen in God samen. Cusanus noemde dit ‘coincidentia contradictoriorum’ (het samenvallen der tegendelen). Wanneer de mens namelijk inziet dat de ongenaakbare waarheid zelve zich aan iedere vorm van wetenschappelijk, empirisch weten onttrekt en slechts benaderend kan worden gekend als het in wezen absoluut grootste dat tegelijk het absoluut kleinste is. Het absoluut grootste valt derhalve met zijn schijnbare tegendeel wezenlijk samen. Vóór die voltooiing in God blijft dus alle menselijk kennen gissing en op analogie en proporties gebouwd.

De sprong naar de transcendentie wordt door Cusanus voorbereid door zijn opvatting van wiskundige oneindigheid. Want, zegt Cusanus

'Ergens kennis of begrip van hebben, is niet hetzelfde als de waarheid kennen, want het is met waarheid zoals het is met de ingeschreven veelhoek in de cirkel:
des te groter het aantal hoeken wordt des te meer gaat een veelhoek op een cirkel lijken.
Echter, het zal nooit een cirkel gelijk worden; ook niet als we het aantal hoeken oneindig groot maken.'

We zullen eindigen met te putten uit het werk van H.J. Störig en wel de ‘Geschiedenis van de filosofie’ waarin het markante van Cusanus' werk bondig samengevat naar voren komt.

Hieruit zal blijken dat we hem met een gerust geweten kunnen rangschikken onder diegenen die hebben bijgedragen aan het Theosofisch gedachtegoed in de loop der tijden.

'Bij zijn terugvaart van Constantinopel vatte Cusanus het plan op voor het schrijven van zijn ‘De docta ignorantia’ -Over bewuste geleerde onwetendheid-; het weten van het niet-weten. Daarin zijn de fundamentele gedachten van zijn latere werken al in de kiem vervat. In de astronomie komt Cusanus, lang voor Copernicus, langs speculatieve weg ertoe de beweging van de aarde en een oneindig heelal aan te nemen. Kepler grijpt herhaaldelijk op hem terug.

Ook vooruitlopend op de toekomst is de leer van Cusanus over het wezen en de waarde van de ' individualiteit'. Volgens hem zijn er geen twee gelijke individuen, in het bijzonder mensen. Het denken van ieder mens weerspiegelt het heelal -als holle spiegels met telkens verschillende kromming- op een bepaalde niet herhaalbare wijze.

Over de in het heelal heersende orde en harmonie zegt Cusanus, dat zij erop wijzen dat God de wereld niet planloos, maar op grond van 'mathematische' principes heeft geschapen! Om het heelal te verstaan, moeten wij dus dezelfde principes toepassen. Cusanus bedient zich vaak van mathematische begrippen en vergelijkingen. Het is echter een zeer bijzondere manier van mathematische beschouwing die hij gebruikt, het zijn meestal zogenaamde overgangen naar de limiet (grenswaarde waartoe een veranderlijke grootheid zo dicht mogelijk kan naderen, maar nooit gelijk kan worden aan de standvastige grootheid).

Bijvoorbeeld wanneer hij aantoont dat de omtrek van de cirkel, waarvan de straal oneindig groot wordt genomen, met de rechte lijn samenvalt.  Hier kondigt zich duidelijk datgene aan wat de, pas lang na Cusanus, door Leibniz, Newton en hun navolgers geschapen, Westerse mathematicus kenmerkt: de 'faustiaanse' drang naar het oneindige, naar een vloeiende, dynamische wijze van beschouwing; in tegenstelling tot de antieke geometrie die met statische, helder begrensde figuren en lichamen werkt. De Griekse geest streefde overal naar maat, klaarheid, begrenzing; het grensloze deed daarvoor in waarde onder.

In het denken van Cusanus, in de door hem voorvoelde Westerse ontwikkeling van de wiskunde, en op alle gebieden van onze Europese cultuur, leeft de aan de mens eigen drang, om boven alle begrenzing uit de oneindigheid te benaderen. Een onderscheid in cultuur dat ook in de tegenstelling van de antieke plastiek en de Europese olieverfschildering met haar diepteperspectief duidelijk zichtbaar is en waarop met name Oswald Spengler opmerkzaam heeft gemaakt.

Van dergelijke mathematische voorbeelden bedient Cusanus zich vooral om het wezen van God te omschrijven als de volstrekt Oneindige, in wie alle tegenstellingen samenvallen.

Met betrekking tot het menselijk kennen onderscheidt hij verschillende trappen;

de 'zinlijke', die in de eerste plaats losse, onsamenhangende indrukken verschaft;

de 'verstandelijke', die de zinsindrukken ordent en verbindt - zijn voornaamste functie is derhalve de onderscheiding, het uiteenhouden van de tegenstellingen;

tenslotte de 'rede', die datgene wat het verstand scheidt, tot een hogere eenheid, een synthese, verbindt.

In het vlak van de rede dus vindt een samenvallen plaats van de tegenstellingen (coincidentia contradictoriorum) - waarmee Cusanus de diepe waarheid uitspreekt die vóór hem Herakleitos en na hem vele andere denkers hebben geformuleerd.

God, als hoogste object van ons denken, is:

het absolute waarin zonder meer alle tegenstellingen zijn opgeheven: Hij is het grootste en het kleinste, Hij staat als verborgen god (deus absconditus) aan gene zijde van de tegenstellingen en aan gene zijde van ons bevattingsvermogen;

een gedachte die wij reeds van de neoplatonische mystici met hun ‘negatieve theologie’ en van meester Eckhart kennen, welke beiden ook Cusanus hebben beïnvloed.

Met betrekking tot het absolute is derhalve de uitkomst van ons denken een niet-weten (ignorantia).

Dat is geen gewone onwetendheid, maar een ‘geleerde’, een bewust niet-weten, een 'docta' ignorantia dus; een weten van ons niet-weten, zoals Socrates dat had bezeten en zoals dat aan het begin -en wellicht ook aan het einde- van alle ware filosofie staat.

De brede vlucht en de onafhankelijkheid van deze wereldomspannende geest, die Cusanus was, in wie staatsmanschap, wetenschappelijke vorming, koene speculatie en diepe religiositeit zijn verenigd, alsmede zijn streven tegenstellingen op hoger niveau te verbinden, dat alles treedt ook duidelijk naar voren in zijn pogingen tot toenadering tussen confessies en tot godsdienstvrede.

In zijn gedachten ging hij uit van een wereldomvattende tolerantie, welke ook de niet-christelijke religies niet uitsluit.

Zo heeft hij bijvoorbeeld in een geschrift het volgende laten plaatsvinden: op Gods bevel moeten de wijze mannen van alle confessies, een Griek, een Jood, een Arabier, etc., toetreden tot een gemeenschap waarin zij allen op verschillende wijze dezelfde God zoeken en vereren, en 'erkennen' dat er 'boven de verschillen van cultus een enige hoogste goddelijke waarheid is ' . ‘

Dit lezend springen onze gedachten naar het devies van Mevrouw   H.P. Blavatsky zo'n vierhonderdvijftig jaren later neergeschreven op het titelblad van ‘De Geheime Leer’. De overeenkomst is te treffend om 'toevallig' te zijn. Het devies luidt: ‘Er is geen religie hoger dan de waarheid.’

De nawerking van de gedachten van deze allerbelangrijkste man, staande op de drempel van de late middeleeuwen en vroege Renaissance ziet men bij onder anderen Giordano Bruno, bij Leibniz (in zijn, met de leer van Nicolaas van Cusa zeer verwante, theorie der monaden), bij Kant en vele anderen die volgen zouden in de immer voortgaande beweging.


Literatuur: Hermes, GLT-Reeks, 1991

Störig, H.J. Geschiedenis der filosofie, 1982 Tuchman, B. A Distant Mirror, 1978 W.P. encyclopedie, 1974.